donderdag 31 januari 2008

45,40

Ik woon beneden, ondergronds, in donkere gangen en mijnen.
Ik ben de spreekwoordelijk geslagen modderfiguur en plat nu – van de emmers stront de laatste dagen ge-re-serveerd – bijt ik in het zand.
Ja, vandaag!

Maar morgen sta ik recht, uit opgedroogde slijkcocon en als ik dan mijn leden kraak valt laag na laag na laag beneden, ontpopt schiet ik de hoogte in, dreig* zwerk en nieuwe zeeën.

Mijn schip ligt klaar, ik hijs het zeil. De wind de wind komt aangereden. Daar is de boeg die klieft. Het harde natte hout stijft ongenadig en snellend drijft zich in de open schelp. Slechts dankzij water is dit mogelijk, snijdt de boeg, en eet de coquille, zo scheurt het schip de golven.

Ik hef het ijzer, keer mijn rug en roep: 45,40.
Met klokke stem.
Ik lach!

* (droog, dreg, dreig, bedreig)

kapitaal

Het zwarte zaad kraakt
akelig
tussen mijn tanden.
We strooien woorden,
lezen aren
om te eten en
de buik mee te verwarmen.
Ze verteren matig.
Het nieuwe regime
is onbarmhartig.

Zou het op Guantanamo
beter zijn
of ook zo koud?
Hier is nog keus:
Doe ik vandaag
het licht aan
dan wel de ver(w)arming?

gewricht

Het leeft in onvoorspelbaarheid, gaat zijn eigen gang, breekt door en ongepast... Neen! Het is nooit ongepast. Als het me overneemt scheurt de vloer abyssaal onder mijn voeten en spreidt het firmament. Zeeën vloeien naar rivieren en woestijnen zweven naar oneindigheid. De huid wordt een vlakte met duinen die verplaatsen bij elk gebaar en valleien van warmte. Het is altijd naakt onder de kleren van sodade. Het is mooi.

Water, voeten uit elkaar. Zand, benen uit elkaar. Hand, lichaam klaar. Luister! Buig een beetje. Blind haast, tunnelzicht. Lang geleden. Wat gaan we nu doen? Je kleren uit. (diepe zucht terwijl ik dit schrijf, bloed dat golft en bonst en bochten mist... herinnering - en sedertdien niets anders meer dan wisselen van slaan en strelen. Het begroten van een gebeurtenis - een toevalligheid welhaast - als een gewricht, als meest intensieve tijd
van een leven. De aanwezigheid waarmee hij is en blijft. Nog steeds. De bomen worden gekapt en op de lege vlakte, de vaste punten niet te nagesproken, worden wegen gemarkeerd, ongebreideld kriskras door elkaar, als paden in de pampa. Het landschap ondergaat. Het registreert. Het deed niet meer dan dat, dacht ik. Niets was minder waar. Het werd die dag geresusciteerd.

Welgemikt landt de az zaghayah!
Daar is geen zachtzinnigheid bij van tel om dergelijke omslag te bekomen, enkel af en toe een zachte pauze. En dát is balsem, oneindig heerlijk. Er was daar een vergissing van sodade of alleszins een inschattingsfout, want nooit voorzien, nooit verwacht de extensie, het spreid- noch diepte-effect. De sleep van sterren, sneeuw en ijs, het magma, de explosie van vulkanen, lavastromen, as en modder. Het vuur. Vuur in ogen. Vuur, vuur, vuur dat warmt en brandt en brandt. Zalf me dan, verdomme. Nooit gedacht. Het dagelijkse werk, de uitputting, de sporadische voldoening, de kracht van de dunne arm. Het altijd weten van het zijn, en toch soms twijfel. De eenzaamheid.

Nzou dwaalt solitair en op haar brede rug spreid ik de benen in haar nek. Haar slurf troost achteloos, als de hand na de pijn. Ik tel de jaspis onderhuids en staar de verte in en aan de einder op de horizon staan woorden die nu betekenis krijgen. Invulling als het ware. Ligamenten in een zinnig leven. Zo donker soms. Zo nieuw met ondoordringbaarheid van een taai maagdenvlies. Ik moet er door. Ik wil gewoon en snijd.
En is het snijden in mezelf en is het eigen pijn... het moet zo.
Verder nu, de nieuwe weg is ruim en eng gelijk. Kijk toch.

Een verleden wordt herschreven.

Daar loopt de sherpa, een eeuwigheid vooruit.
Inhalen kan ik hem niet. Wel volgen. Proberen ten allen prijze.
Op mijn eigen manier.

woensdag 30 januari 2008

takkenwijf

Ik ben niet zachtzinnig.
Zou je wel willen!
Wil je dat ik zacht ben?
Ga dan
en koop een schaap
of een angorakonijn
of een pelsen jas.
Ik ben niet zacht,
er groeien takken uit mijn ogen
als ik je bekijk
en in mijn hand rust een
glasscherf.
Dacht je dat het diamant was?
In hoeveel sprookjes geloof je wel?
Maar als ik je bekijk
dan weet je het
en mijn streling
zal je niet licht vergeten.
Je ziet maar. Ik ben er.
Met takken.
Met glas.

dinsdag 29 januari 2008

foto door het raam


Het is nacht, sterren, kou en nevel. Op de houten stoel zit het. Wit, doorzichtig haast, geombrageerd door wolken voor de maan. Stil. Aanwezig in de open plek die daar was. Het past in de contouren van die leegte, als een dwaallicht neergestreken in een verre tuin. De veren handen rusteloos over microlandschap, kuiltjes, putjes, welvingen, de kruin, het kruis tussen mond en geslacht en over de houten armleuningen. Hout. Het verhout (zich), zacht. Zo stil dat het blijven zitten mag.

Wacht. Een deur gaat open. Geur. Een achteloze hand steunt even. Stilte. Inhaleren. Rust. Nacht. De raven zwart. Het hard... hardt...hart… (klopt. Nu. Nu. Nu. Nu…stil maar!). Het blijft roerloos in présence. Ongenaakbaar haast, doch even krimpt het hout, waarmee het vereenzelvigd is als een genster valt en bijt, en zucht onmerkbaar voor de hand die het brandmerk wrijft. Donker gaat ze terug naar binnen, samen met de eigenaar, en door het venster kijkt het de Ander achterna, blijft het kijken, registreert:

Benen die zich verhaken, bladerende vingers, ogen vliegend, vleiend, vloekend, zoekend op papier, die zich vermaken. Een dichter? Een filosoof? Frans? Spaans? Van deze of van vorige eeuw? Ernstig? Mooi? Grappig? Spits? Geladen? Een uitspraak, een woordspeling, een zinswending, een concept?

En achter het raam groeit uit de ogen, de handen, de verstrengelde benen, als uit marmer gehouwen of op doek gezet met snij-precisie van een scalpel, een tekst.

Het kijkt toe en ziet verschijnen. Woord na woord, gekozen, gewogen. Vreemd: apart betekenen ze quasi niets en dáár ontstaat warempel toch… een uniek verhaal. Alsof de tekens doordrenkt zijn met zijn eigen bloed, de tekst ontstaat als door osmose met de vingertoppen, een rechte weg tussen gedachten en motoriek zo lijkt… Hoe simpel het klinkt. Hoe waanzinnig. Hoe waanzinnig mooi haast zelfs.

Het blijft waar het is, kijkt van buiten naar binnen met ogen die fotograferen. Beeld na beeld, een film wordt gecreëerd. Een prent voor besloten kring.

Het is van een droomsubstantie, het is de stoel, het is de tuin, het is het pad, de steen, het hout. Het is het hout. En als hij weer met zacht gesleep het pad met voeten treedt, de stoel inneemt en rookt, de stilte aanweziger maakt met de draden van zijn gepeins (hoe graag zou het in dat hoofd willen kruipen en de gedachten betasten, proeven zelfs met al de smaak voorhanden, de gulzigheid en de vreugde, het vieze gezicht bij een of ander…) dan denkt het, onder de warme plek waar het alleen de schittering van ogen ontwaart, het oplichten van de sigaar die weldra wordt gedoofd, de onderhuidse tekens in gedachten: “Doof mijn vel met vuur.”

Wacht, de gloeiing van de asse… kleurt het wit van het.
Een vreemde scarificatie… niet grijs maar een roos op vlees.
Oneiromantie op … droomsubstantie.

maandag 28 januari 2008

het boze oog


Ergens te lande in een ICT-zaak.

Iemand heeft me gevraagd een herstelling af te halen. Ja hoor, natuurlijk! Altijd tot een vriendendienst bereid. Zo kennen we toch sodade.
Klantvriendelijkheid is daar hun leuze. Ik ijsbeer tot de deuren opengaan, precies om 13.33. Drie minuten te laat. Aan de balie is het al wachten , ze zijn nochtans pas geopend. Telefoonklanten gaan ALTIJD voor. Ik word ongeduldig en dat is me aan te zien. Ik laat ALTIJD zien als ik ongeduldig ben. Eindelijk aan de beurt word ik omgeleid.

De technische balie, DAAR moet ik zijn. Iemand voor me. En al de mannen die ‘nerd’ als eretitel voeren komen dán pas binnen. We spreken tien voor twee. Het is overduidelijk vanwaar de laattijdigheid. Deze mensen moeten, als soldaten hun horloge in de oorlog, hun kapsel gelijk afstellen alvorens het nerdwerk aan te vatten: allemaal gel en allemaal in pieken. Zelfs degenen die geen haren hebben. Laat uw verbeelding spreken.

Terug naar de eerste balie weer. Een rij van vijf mensen voor me nu. De boosheid moet van me af stralen. Ik bevries en probeer de telefoon te hypnotiseren. Tevergeefs. Geen bijzondere gaven daar. En de balie-nerd blijft rustig verder kouten.

Eindelijk, eindelijk dan – tien over twee – is het zover, we naderen het hoogtepunt van het bezoek. “Afrekenen! Factuur!” blaf ik gemeen. Het piekhaar gaat prompt slap hangen bij zoveel agressie. Ik gleuf de kaart met zeker pervers genoegen. Er zit nog enige vreugde in die handeling. Het geld krijg ik later immers terug! (?)

Drie kwartier later: mission accomplished. Klantvriendelijkheid noemen ze dat.

Het is mogelijk in deze wereld TE vriendelijk te zijn tegen klanten.
Het tegeneffect werd in ieder geval bij mij gesorteerd.

zondag 27 januari 2008

zaterdag 26 januari 2008

googledegoogledegoogle


Een overontwikkelde kramp in de bronzen billen geeft een vieze zoute smaak in mijn mond. De duif van Magritte vliegt door een open scheur het surrealisme uit en maakt een buiging door de knie voor de koning met - stel je voor - met één been achter het andere. Old Shatterhand spreekt absolute taal: “Geef mij maar een rimpelvullend product”, roept hij over de Llano Estacado, en elders kruipt Bella de koe al vleiend dicht tegen de giraf, alwaar de ossenpikker declameert: vanitas vanitatis… enzovoort. We strooien zout in groeven van de volwassenverlangens, ontwaken uit een coma en in die eerste blik boort zich een bromvlieg op het netvlies. Ach, heerlijk slapen, wat doet het deugd, een koraal van kleuren de tanden constant… geslepen. Bijtklaar. Boekweitkoek. We happen Edel Maex doormidden. Hoe pleeg ik zelfmoord zonder pijn.

(geschreven naar aanleiding van de zoektermen waarmee mensen gisteren en vannacht op dit blog aanbelandden. Het geeft te denken, nietwaar, vooral de afsluiter. Ik ben bijna trots!)

vrijdag 25 januari 2008

med hovedet i lommen


Het
strooit wat woorden op de vloer. We eten ze als kruimels brood, want we hebben honger. De vette jaren zijn voorbij! En toch blijven we kieskeurig. Het is te vroeg om schrik te hebben. Maar het treedt sterk op de voorgrond. Ik onderdruk het angstbuitelen slechts met moeite. Nauwelijks dus. De erupties volgen elkaar ongecontroleerd. Het gaat om een daad en daarna overleven. Maar het is een varken in sodade’s buik, een alleseter het heeft altijd honger.

Het haalt uit terwijl sodade praat, het is echt, sodade doet aan drama. Het huilt, het heeft schrik, het is een bang konijn vandaag. sodade zoekt een uitweg en praat en telt en praat en telt en praat (mailt) en als uit de mouw van een goochelaar rukt ze papieren zakdoekjes one one one one one - het hart klopt nu, altijd nu - harmonica!

sodade en het gaan gelijk op en toch hun eigen weg. Alles is gespleten: het willen en het niet willen, keuzes met messen die overal snijden en medailles die al dan niet blinken – hier blinkt weinig - en in dit alles het hoofd dat links kijkt of rechts, dat twee gezichten op moet zetten, of zelfs meer. Met honderd ogen die door wimpers spieden. We staan op een hoge rand. Het is diep daar beneden. Spanning, angst, plezier... weten: dit is het enige juiste. Maar de getallen, de getallen zijn klein. Het tellen is moeilijk. Er is een tangram die niet past, er is teveel en er is te weinig; we snijden, en slijpen en vijlen en polijsten. We lachen om Drogenbos en drogen tranen. We weten. De abacus telt zoveel kralen. Ze schieten alle richtingen uit: de lichaampjes, de plaatjes, al het leven, rotten, sterven en hernieuwen. Explosie! Daar vliegt het hoofd natuurlijk, spat - spat, hersenen, ideeën, klodders bloed en grijze prut, ach is het dat maar? Ja dus, zo niks, zo vies om aan te raken. Pfff, vies, niets is vies; het pakt het gewoon en puzzelt in de schoot, vel, oren, ogen, aders en veel getallen en vocht overal - vanwaar - past het past het niet? Allemaal egaal, het is dat niet is, het is en blijft.
sodade komt bij het en verlaat het drama. Het is de plooi waarin alles vallen kan. Voor niets legt het de kop... sodade leeft!

Verbazing en ook niet, vreemd genoeg is hét niet de enige plooi, er is nog iets… sporen… de vlooi die altijd bijt, wakker houdt, alert en schuin…
het / sodade leert hoe langer hoe meer hond te zijn. ’s Nachts krullen ze zich in slaap
voor de stoof, terwijl die langzaam dooft.

Wees spaarzaam. Tel uw genietingen! Laten we bij de hoofdzaak blijven!

En in verband met verdachte woorden: dan maar expliciet: bom, lont, lontje.
Vandaag, gisteren, komende week. Ja. Aanslag. Hiér. Bloed. Veel.

Dada – niddah – didada –dahdah dadahahahaha.

donderdag 24 januari 2008

queen of sikim


Sufkop! Je noemde het Werktekst. Het spreekt altijd met een franke teut. Vreemd, als het zo uithaalt wéét ik dat het míjn Siamees is. (We vallen in elkaar als een tekening van Escher, water dat in zichzelf blijft stromen, de onzichtbare schaduw als de zon is geculmineerd.
Wel en niet, to be or not to be, no question at all. Take it as it is, and me too of course. Of Maagdenburgse halve bollen? Communicerende vaten misschien of een Kleinse fles… maar alles dan iets anders bekeken… Analoog aan een optische illusie. Een illusie, ja, zo iets zal wel in de buurt kunnen komen. Net niet, nooit natuurlijk, net zoals de zon nooit in het zenit kan staan, zelfs niet op haar hoogste punt.)

Maar ik geef ferm terug: Natuurlijk, Werktekst, het ging verdorie over mijn labeur – wat ik in het zweet mijns aanschijns en leidend tot decubitale verschijnselen op een vervelende plek dagelijks moet, zal moeten doen, gedurende enkele uren! Heb je dat gemist in je… automatisch schrijven? Ik grinnik en denk aan de uitdrukking die ik recent zo vaak kreeg: 'het verhaal schrijft zichzelf'. En sedert het dat doet, het schrijven, een deel van het leven, tja, ik ben haast geneigd hem gelijk te geven. (Steek die pluim in je scalp, waarde, and keep on blowing!)

En Werktekst, het blijft! Ten andere, óók de andere activiteit, degene in de marge, het kamertje met rood, óók dat wat ik in het verborgene deed én minder verborgen, het berekend risico dat ik neem… Werk, mijn lieve, allemaal werk. Ik lach met al mijn monden. Overleef. Want dit is wel zo aardig, terwijl de vingers tikken, klopt het lichaam onder tafel, leef het een ander traject, neemt het sodade mee.

Er kroelt een eenzame schilder in mijn cerebraal (huh?) vocht, midden in de nacht. Het klavier fungeert met scherm als glas in de gevangenis. Een dwaze illusie. Hij conserveert zijn gerookte lijf met armagnac, ik mijn bloed met rode wijn. Dorst… zin… buitenzinnen… de volle maan speelt me parten, ik zit op z’n wolfs en huil naar de sterren. Lang, vol determinatie. En vol bourgogne…

Het is de wolf in mij, de danser, de extase, de trance, de slang die genoeglijk kronkelt. Wie beroert wie? Irrelevant wie de slang is… de kat, Nzou’s slurf, de hand de hand de hand de hand… de vingers, een kluwen.

I dance the Queen of Sikim. Hier is geen grein bégueulerie! Just take off your clothes and be as you are! De almaviva valt als het doek van een toneel, en - in tegenstelling echter tot onttrekken van de blik - onthult volledig!

Het vervoert me naar die plek, waar kettingzagen draaien en tussen de gevelde bomen ruimt het een plek. Met ongezoolde voeten neemt het ruimte in, neemt het sodade over en soon is er niet meer dan puur genot, het voelen van de vranke handen, de open lucht die koude striemt, takken zwiepen tegen benen, splinters boren en wrijven…
sodade zit te kijken van binnenuit en van buiten, hoog uit een boom, uit de ogen van een ander, door onderhout, van op een verse stronk, uit de lucht, van in het water, alles wat het bos daar maakt en honderdduizend blikken … en met de ogen dicht is het een kijken naar wat niet is en onmiskenbaar toch niet kan worden genegeerd. Onnodig is de krans om goede wijn.

Deze dallesdekster lijkt voldaan ondanks de kennelijke staat waarin ze zich bevindt. De sommen zijn gemaakt, de vrijheid duur gekocht. Het had daarin de hand zowaar: het lijf dat sprak boven de rede. Kijk naar vandaag, morgen ben je dood. Dus: straks schijt ik kinderpek, slechts over enkele dagen en dan… met dat wat overblijft - het lijf en enkele essentialia - herbegint het leven.

Etiam si omnes, ego non!

Er verschijnt hier - out of the blue - een boodschap dat deze tekst te veel verdachte woorden bevat. Geloofde ik in de kosmos, het zou waarachtig een teken kunnen zijn...

woensdag 23 januari 2008

werktekst

Het draalt vandaag, wil niet komen spelen. Ligt te lezen, zonder licht alstublieft en met de ogen toe. Een boterham, heeft het gebedeld. Schrijven ja, dat moet het doen.

sodade schrijft niet meer! Een verzekeringskwestie, bleek: te veel dubbele bodems. Iemand dreigde erdoor te zakken. Dat met dat zwartje… was erover. Huh. Ach. De mal en pis… hier. Tja! Liplap!
Er is wellicht slechts één die min of meer kan volgen hier. En dan nog... hoe kunnen we elkaar volgen? Dat is een tegenspraak.

Het droomt van bloemen in elke holte, rode bloemen, dode bloemen, besmeurd met gruis en tekent cirkels in de lucht, staart naar binnen. Het wil muziek, gaat met mijn lichaam aan de haal. Zo sta ik nu te kijken terwijl de armen stijgen en dalen en vormen beschrijven, grillige figuren en onbestemde inhoud, niets neemt plaats in. sodade allerminst. Ze is niet, elle n’existe pas of plus – vinger tegen het hoofd, nadenken of tikken, want plus is meer, ze weet het. Tamelijk on-Cartesiaans of zo: ze denkt en toch is ze niet, niet te rijmen. Denkt ze wel? Het draait met de snelheid van een tol, de benen ietsietsiets gespreid, een kleine o tussen de knieën en verder open, dicht, open, dicht nauwelijks te detecteren. In het bos, de dryade…

Er loopt een experiment naast sodade en soms raken ze elkaar, het kan dat zien. Het kan niet schrijven als ik , want het is geen ik, heeft geen ik. Het is al bijzonder dat het schrijft en leest. Een toegeving als het ware. Mmm, draai nog een rondje.

Het doet raar vandaag, blijft liggen terwijl ik werk. Maar straks binnen een uur of zo probeer ik het te wekken. (edit: mislukte poging wordt later hernomen. Klein kamertje, grote rode bal en dito ladder. Licht, spiegel, douche, wc… arbeidsvreugde alom… ben je nog wel wijs? Pfff, wat zou dat? Vergeet ik de deur misschien te sluiten?) Die met de ondergrootste kop komt binnen: je hébt het! staat ze te krijsen terwijl er snot verzamelt in de zakken onder haar ogen. Ik plooi mijn aangezicht tot zekere mate van communicatie en schuif daardoor net in de usb-poort die de maatschappij me voorlopig biedt. De verbinding is nauwelijks compatibel. Ach zie ik een vonkje? Een instabiliteit? Onderhouden, dat! Ik hoop op recrudescentie. Tegenover haar… wil ik met plezier Carthaagse trouw plegen. Oh yeah. We beginnen het kruisteken toch met… in de Naam van… enzoverder.
Ga ik op mijn knieën liggen? Neen! Dankbaar? Neen, het is zoals het is: netto 600€ minder. Laten we over iets dergelijks niet ergoteren. Dat zou te veel van te weinig zijn.

Ik twijn mijn leven tot een lasso - de lus voldoet aan het einde van de rit - en proef de nieuwe wijn, die jaren verborgen, nu mijn drank is geworden. Zijn smaak is geweldig en verslavend. Note to self: geniet nooit met mate!

Extase als het naast me staat en tegelijk erdoor bezeten. Misschien als het overneemt dat ik dan weg kan treden in zaligheid? Het kan gevaarlijk wezen, legt koorden rond mijn nek – laat mijn handen trekken, het doet mijn voet de gas in duwen, hard, harder, hardest....en terwijl laat het me waanzinnig lachen, roepen, gesticuleren op de weg, mijn longen openzetten, en kijken als een gek. Lyssa in mijn lijf maakt me koortsig. Ik kijk door een andere opening naar buiten. Migraine, waar het oog ontsluit.

Ze zeggen: rijd voorzichtig, ik antwoord steevast neen! Er zijn er die over engelen beginnen te praten en dan kijk ik dwaas. Of over de hemel. Het neemt dan soms wel over en lacht onbedaarlijk, maar toch is het sodade met een streng gezicht die meestal dit soort baarlijke nonsens bij het afval gooit. Ongesorteerd, want die orde telt daar niet.

Het Grote Vilbeluik… Dat is waar we uiteindelijk belanden! En alle inspanningen van activisten ten spijt, ook na de grote breuk vermag het lichaam… lees wel… het lichaam , niet de geest, ziel of wat men denkt dat er óók nog is, het helemaal de aarde nog verder te vervuilen. In al mijn essentie ben ik lichaam en word ik tot lichaam herleid.

En vandaar uit tot… rook. Het begint ermee te spelen. Alle gelijk van de wereld! We gaan een moresca dansen… Hmm, hoor de tonen: als een sleutel in mijn bekken spannen ze de veer op die me drijft… en na de opperste schoonheid van het mezelf verliezen de loomheid in de tussenwereld. Het is niet. Niets is. Laat het niet zijn.
Het is volle maan. Sta buiten en kijk naar de sterren. Blaas me een wolk. Want alles is vluchtig in de wereld.

begrijpt u niet wat ik schrijf?



Ach, wat sneu!
Deze is voor iémand. En neen, verdring u niet te denken dat het voor u is.

dinsdag 22 januari 2008

niets om het lijf


Gedrieën… genoeg? Het, sodade en het zwarte meisje. Vraagteken? Zij vertegenwoordigt… euhm, dat andere weer, of zo. Ik weet het niet precies. ’t Zal later nog wel komen. ’s Nachts was ze er ineens en ik geraak ze nog niet kwijt. Ze kwam met haar suikerspinkop rond mijn nek hangen, teer punt. Ik wou zo dat ze me de ziekteverzekering in trok, maar neen! Ze stopte. K.! Dus effaceerde ik haar even. Kijk ze daar nu, fading, zit te mokken in de hoek. Het Caudijnse juk heeft ze zichzelf aangemeten. Tja, het decor is niet flatteus, zwart op zwart lukt niet zo best,. Tenzij bij… mensen? Maar dan kan alles lukken toch? Zwart op zwart, zwart op wit, wit op zwart…, kóffie of zo…

Hèhè, dat wel, maagdelijk dat vel. Heerlijk, als een pas besneeuwd veld, waar je door wil banjeren, sporen wil trekken, schrijven, snijden… maar dan in ’t negatief. Phoe… zo mooi. Diepe zucht. Zo mooi dat je het kapot wil maken. Zo is het toch in ’t leven? Sta je ergens te kijken en denk je: hoe mooi is dit! - geheid komt iemand bij je staan die ZÉGT: hoe mooi is dit. (Mind you, ik schrijf nu dus geen ademhalingstekens… So help yourself, of is dat te suggestief?) Pats! Gedaan betovering! Och, al goed. Sprookjes zijn voor kinderen. Het gelooft er in, ik maak het alles wijs van Sinterklaas tot Karel de Grote. En dan draai ik het om en klop het leeg. Alles loopt er zo weer uit. Lege pot. Pot ja, goed gezegd. Precies. Een pot. POT, POT!

Neen, we zijn hier. Het en ik (en dat zwartje is onzichtbaar, nutteloos ook denk ik, ik ga er verder niet meer over praten - ik denk dat ik haar ken, ze is blind en ik sloeg haar, echt – YES - en daar voel ik me nogal net niet schuldig over, I hated her with her tantrums and the way she played everybody, especially the old man with his goatee, yuck! Vrome kwezel! Pederast! Theriakel astublief, tegen zoveel gif! Slik, spoel, spuit… whatever... babababababababababa!), en we vallen samen noch lopen apart. Ik wil me niet debarrasseren, nogal lang niet… De wereld is een gat, het en ik staan dikwijls op de rand te kijken in de diepte. En te lachen!

Vannacht werd ik wakker en het lag bovenop me in de schijn van de daviaan. Heel lief en licht en het tekende concentrische cirkels op mijn borsten, met de tepel als middelpunt. Het was zachtjes aan het zingen: ik ben een lustje, jij een lust bij de wereld, wij zijn excentriek, en waarempel, even leek het alsof twee lussen samen lasso’den, als een zweepslag op de rand van het symbool. Hoor ik het fluisteren…Twee handen op een buik…Ha neen, niet dus hè! We zijn geen twee handen op één buik. Dat is bullshit, waar zijn die twee andere handen dan? Plegen die overspel of is het Zes en Negen? Ach moeder de Gans, het bord is leeg… De kuikens spelen strippoker. Ik zit in een gokbajes. Aiaiai. En to the rescue komt het, altijd met de kop vooruit daar waar mijn verstand me aan de ketting houdt. Het leeft bevrijd. Wie is hier de baas? Het of ik? Nu, dit weet ik wel vandaag: als het overneemt, dan is het (vaak)… feest.

Dans nu en zet alles aan de Kant voor de Moffrikanen van dienst! Ik stapel hun woorden. En even naar het Prater ook. Voor foto's en dromen!
And so??? Who’s watching at the other side of the looking glass?
Hi there….

Oh bring me my bottle and sing the lyrics. It’s a dogs life and IT is ALIVE.

maandag 21 januari 2008

armoe troef


Verknipt. Het zit op de grond en heeft zich omringd. De schaar zwiept lustig. Het plantte de vingers in haar ogen en spreidt en sluit haar benen. En bij al dat gegesticuleer vervalt de grens tussen beest en schaar. Zelf knipt het op hoge poten wat het tegenkomt, nietsontziend, djahat die het is, en met dode ogen vreet het zich een scherpe weg. En uitgeput van zoveel blind geweld op een weerloze (pfff, wat is wéérloos? pure schijn! ) omgeving stuikt het samen, te moe om de bladen te sluiten en valt in slaap met nog steeds de vingers in de ogen. Onschuldig, zonder twijfel. Het beest kent dat niet, iets goed of fout. Gelukzalig het beest.

Ik kijk het aan, de Siamese uitgroei op mijn leven. Zolang het rust, ben ik vrij. Het duurt slechts even. De tijd om slaaf te spelen ter wille van de economie, de noodzaak om aan geld te geraken voor de ongelofelijk onnozele ruilhandel die ik er mee moet plegen. Het plastic in de gleuf wordt een pervers gebaar. En welk een lust te weten… onrust ja! (daar zal minder gegleufd kunnen worden... welzeker, maar och, die riem die lag hier toch, die zullen we dan maar wat vaster aantrekken zeker? Mendiciteit, here I come!)

Rekenen, niet mijn fort, maar het moet nu gebeuren. Het beest moet eten. Ik kan het niet naakt de straat op sturen, al zou het dat het liefste willen. En binnen is het koud. Het zwarte decor moet afbetaald. De schaarse kaarsen, het slijpen van het mes, het wassen van het deken. Dit wordt het dus! Gereduceerd tot een getal, waarbinnen alles moet passen. Als dat maar goed gaat. Het beest ziet wit van de kou, blauwe lippen. Hmm, misschien toch wat aankleden.

Verwarming minimaal. Grote besparingen. De gaten in het lijf … daar tocht het door. Veel waai vandaag. Plastiek blijft zwart, zeil van het doodsschip. Ik hijs de vlag, bang the drum slowly… Ha, met je salvo! Kom je me redden? Neen? Pfff, dan niet ook. We kunnen wat opwarming gebruiken nochtans, wrijving. Kom dan, schuurpapier, leer, ijzer, haaievinnen, ha neen, dat blinkt op zwart. Die cliché-ring. Hhahhahahaha. (H)Attaque - taktaktaktak...!!!)

Hier is het glad. We gaan spelen. IJskoud, ijskelder, ijsschaatsen. Ken je dat verhaal van die schaats die sneed? Die scheef reed? Die openreet, die … hoe het ook speet. Epouvantabel! Niks aan te doen, gedane zaken nemen geen keer. Het werd overlangs gehalveerd, het kermde van de pijn, toen ik het deed. Ik ging naarstig door. Ik heb het ook gerepareerd. Het was zo blij. Styptica all over. En met pattex alstublieft. We knipten en plakten. En natuurlijk verkeerd. Er zat een hand zomaar los op die bil, die wou niet meer weg, moest terug aan de pols, maar daar zaten al vingers. Het was geen zicht. En toch, als je goed keek, alle ingrediënten zijn aanwezig. Het bestaat immers niet. Je denkt maar dat je het ziet, maar dat is een schil. Rivers of blood deftig gekanaliseerd, beuken alleen van binnenuit. Ik heb het/het ingedijkt.

Ik wil mijn aangroei nog niet kwijt. "Kom stuk niks, als je braaf bent mag je straks weer. Zorg dat je iets schrijft, anders geen eten". Wat? Pistachenoten natuurlijk, wat anders. Ik moet je up to date houden. En achter de hand. Klos nog wat Kant. Oh jee… hoe moet dat verder? Kom, brand de palita. En anders... het lontje? Exces genoeg of wat?

zondag 20 januari 2008

wij


Het decor is zwart. Altijd zwart. Het materiaal in contrast. Altijd in contrast. Moet dat? Neen! Vissen, billen, schelpen, lippen, stenen. Alles roos, bleek, wit. Grijs of rood na behandeling. Het zwemt op de vloer, op zwarte plastiek. Ik geef het soms een deken.
Eten moet het ook. Altijd eten. Het kost me veel. Dit beest dat ik onderhoud.

De wekelijkse trimbeurt. Iedereen boos. Pffff. I couldn’t care less. Rotzooi op de grond. Druppels bloed, dada – niddah - didadaaah – dada - dada… en chiéé, ach chocomousse, ketchup, kaarsenvet…. Smeerlapperij, ik zeg het u.
Het beest durft ook nog knoeien.
En lezen. Het citeert: “ Bij de individuele neurose is ons eerste aanknopingspunt het contrast waardoor de patiënt zich onderscheidt van zijn als ‘normaal’ beschouwde omgeving.” (Fffff.. freud, zeker? Den draagbare!)

Wauwelend gedrocht! Ik loop ermee verwrongen, ik en de Siamees, de cele op mijn rug, de dwerg in mijn kop. Twee benen die naar binnen wijzen, riem rond de nek, handen gebonden, de horens pieken op mijn borst als ik splijt en dwars open scheur. Geen wonder dat hier overal plastiek moet liggen. De vuiligheid. Ogen die hameren en me toetsen doen bespelen. Hier spookt het. Een baard en ogen van gepolijste steen. Door de muren..

Het beest heeft een hoek af, past niet in de verbanden, wil niet passen, wil wringen en gewrongen worden. Rood en purper. Oh hoe mooi. Of van onder of van boven. Doorsteken. Gewoon doorsteken dat mes. Je weet het wel waar. En hoe. En waarom. Ik bewerk het dan. Simpel dichtnaaien die handel. Een streep min of meer, wie zou daar om geven. Een mondje meer kan ook nog worden gevoe(l)d.

Dit is de afspraak: het moet af en toe schrijven. Ik doe het niet meer. Het zegt: geen gelul, geen zoeterig gezemel. En dat ik het niet moet dulden. Het zegt zoveel. Dada – niddah - didadaaah – dada - dada –en: Ya habibi taala. (Maar hij komt niet meer). Het spreekt in tongen. Ek wil jou voel, party bestyg die berg, thulama mama, ek wag, piel contra piel, mundo contra mundo, tierra contra la tierra... sla me dan, verdomme, sla me in de juiste vorm. Het is de enige manier.

We bakken brood, we kneden klei, we maken bloedworst en tomatensoep, rode gelei… wijn, bier… Zwelgen zwelgen zwelgen tot het beest barst alweer. We plukken de maden uit het potje op het aanrecht, we wilden weten wat het werd. Mottig. Het vliegt. We slaan ze dood. Dat is de enige uitweg. En dan maken we foto’s. We zijn braaf. We krijgen een boterham met kaas. KOFFIE KRIJG JE NIET!!! Klote ook.

Wat ligt mij aan poëzie. Het beest is niet geïnteresseerd. Vermaak ik U? Leuk hè, aapjes kijken. Kom niet te kort bij, ge zijt niet bokitoproof. Grmpf, we moeten dat woord nu wel gebruiken. Rare mannen, die … euhm… Nederlanders. De wereld is raar. Ik hoegenaamd niet. Mijn beest en ik… normaler zie je ze nauwelijks.

“Kom, Siamees. Toon ze je gat. Dag lieve brave menskes, voldoende gedégoûteerd? … tot nooit weer!”

Eindelijk…. Rust.

zaterdag 19 januari 2008

sigh(t) seeing


de maan is een open kom - een lange wolk als een olifantennevel en verder overal tussen en aanwezig de sterren. het is loom rijden. het is automatisch en veel te hard. om door die grens te gaan van hier naar nu, alsof het nodig is een boom tegen te komen, een klap. iets najaagbaars maar onvermijdelijks. het is die schittering, dat roosoranje licht en de gedachten... alles samen maakt me vloeibaar. niet vormeloos maar elke vorm. ik zie het als ik foto's maak hoe telkens nieuwe landschappen worden gecreëerd uit hetzelfde materiaal, met een schier eindeloze variëteit lijkt me, steeds hetzelfde steeds weer anders, verrassend, verbazingwekkend.... mmmm

De camera glijdt mijn vingers vooruit, leeft een eigen losbandig leven. Beiden registreren.
Ben je me nog niet moe? Ben je het niet beu dat landschap, steeds hetzelfde met een dag verschil, gras wordt gemaaid, bladeren vallen, het regent, ik ben kaal, nat, winter doet me rillen en stijf staan van de kou, straks wordt het weer warmer, vloeit lente in mijn lijf… Zomer… hoe hoop ik op de zomer, een hittegolf, een strijd.

Vechten zal ik… als het mes de sinaasappel schilt en het bloed in druppels op mijn vel zal liggen. Als de kat mijn rug streelt, je me met stokken slaat, als taai vlees vóór het consumeren.

Ben je me nog niet moe? Eet dan van mij. En laat me ook wat eten! Van jou…

vrijdag 18 januari 2008

nah!

En dan had ik het nog alleen maar over het bekken!

Het aardige van kuise en preutse mensen is zoals Rien Poortvliet het ergens illustreerde: Een boerke van de buiten dat vol overtuiging declameert: "Het is een schande, dat naaktstrand! Ik ben wel tien keer wezen kijken..."

Hartelijke groeten van die 'met een hoek af, waarvoor een verwijsbriefje dient geschreven te worden' - met een grandioze lach toe.

Daarvoor doen we het!

woensdag 16 januari 2008

i confess


“Beweeg nú je… bekken”, klinkt het gebod.

Het luidt dat als je staat en je bekken in beweging zet, dit vaak als vreemd ervaren wordt. Als je naar de grond kijkt, ook dan nog… dat er veel dood in je leven zit.
Zwans!
En daarbij, waarom het bekken sparen? Waarom, hell, waarom?

Sla de cimbalen. Kommen. Komen. Bekken, bekken. Beken!

“Zet je knieën van slot, ontspan je schouders en je kaken. Beweeg nu je bekken… en láát je bewegen, schrijf cirkels alsof er een pen uit je anus steekt.”

Alsof ik alleen maar een ‘O’ zou willen schrijven in plaats van boeken vol, alsof ik niet met mijn ogen dicht je naam zou spellen, je gezicht zou tekenen en elke porie ervan zou likken. Alsof ik niet je bloed zou zuigen, je vel zou pijnigen en je hersens tot de mijne willen maken. Alsof schrijven zelf dan niet de daad zou kunnen zijn en elke vraag een open bekken wachtend op het antwoord. Alsof dat dan geen lijden is. Alsof het ontberen niet telkens venijnig is. Azijn…
Alsof…

Ik schrijf mijn vragen, mijn bekken vol begeerte, mijn verlangen. Ik tel de woorden niet die mijn beweging zonder schaamte schrijft.

“Buig voor het bekken, buig voor je oorsprong, buig voor de plek waar je negen maand leefde, buig voor de bekkens waaraan je ontsproot”, roept de stem.

Of zíjn bekken? Of zijn woorden… ?

Hoe vaak word je ver(ge)wekt? Word je geboren?
Hoe vaak daarna ben je lichaam, object, een gevecht, een recipiënt, enzovoort?
Hoe vaak vervaagt de grens, verdwijnt de grens tussen jou en jezelf en bén je écht.

Het bekken is leven, het draagt de buik, het gevoel, als ruime handen.
Daaronder is het doelloos lopen zonder bekken, daarboven is er te veel controle zonder bekken.
Het bekken is het scharnier, het gewricht waarop ik teer.

Anteversie, retroversie, circumductie! Ophitsende bewegingen, klank en ritme, protest, welkom, kracht, kunst, pure taal van genot en geweld.
Als het bekken beweegt, beweegt het lijf en gaat alles stromen, bloed, aarde, water, vuur, lucht…
Als het bekken beweegt lach ik, huil ik, schreeuw ik diep en vrij!
Als het bekken vol loopt ben ik even…

Ik merk dat ik lach en hoe beweeglijker het rolt daar onder in mijn lijf, hoe feller in mijn buik het lachen zwelt, plaats inneemt en uit mijn keel ontploft. Als een diepe grom eerstaans en dan als een rivier met stroming en een getijdegolf ten slotte, zo peristaltisch haast van onder naar boven, zo orgastisch haast… dus.
Ik beken volheid.

Ik bek(k)en u...

dinsdag 15 januari 2008

el topo

An artist needs to be free, not what the other wants... to be authentic...
Terrible things... beautiful things go togheter...
When I show the blood in El Topo I show the force of life...
(Jodorowsky)



(de originele you tube-filmpjes die ik hier plaatste zijn 'no longer available')
Met dank aan ViLT

maandag 14 januari 2008

i had a dream


mijn gedachten aan je hebben de lengte van de geur van koffie, met dat wenkende, dat penetrante dat zich onder deuren door wurmt van uit de keuken naar de opkamer, de zolderkamer op de tigste verdieping. en zelfs de manier waarop ik dan kijk is als de snee van diamant - doordringend terug.

waar ik gaten sla in ruimte en tijd en grenzen ophef op kracht van verbeelding... rechtstreeks in ogen kijk.

ik loop naakt over straat te roepen: "ik haat je ik haat je hoe ik je haat!" en Zij slaat haar klauwen in mn vel.

je ogen blijven kijken. niets anders doe je.
alsof je dood bent / extraplanetair behuisd
je kijkt van ver naar beelden die ik stuur.

droomkIJk blijf kIJken...

ik ben naakt sleep koorden en kettingen door de straten.
slierten bloed in mijn kielzog.
geschonden en toch gaaf.
hét is er, sla nagels krammen zwarte kleur en rood

het gekleurde vlees bij de slager ... ik kijk door een venster ren op een trap en terug.
heb daar niets verloren.
Heb ik überhaupt iets verloren?

ik zoek - wat ik zoek heb ik niet verloren, het zal er altijd zijn daar en daar en daar.

ik zie je mahonieglans, een sliert een hand met een vreemde nagel dat randje daar, een bal die jojoot - ik wil mijn hand daar leggen.
klein object a
sPiegels en kralen ipv Genot
waar blijft?

appelbijten daar moet ik aan denken.
kan ik niet.
mondopening te klein.
wat nog? rug en nek zo stijf pijn, pijn andere pijn.

de steeg is donkerwarm met vreemde geuren en bij de bakker vraag ik abrikozenflappen
ze zegt dat ze er nog heeft op zolder.
ik kijk naar het fruit onder haar rokken als ze klimt maar terugkomen doet ze niet;
ik wrik het luik open het gaat vanzelf weer dicht.
ik ruik appels aan mijn vingers.

ik zie je ver heel ver, als ik niet kijk en je ruikt naar koffie.
ik kan geen dag zonder koffie, laat staan een leven.
als ik drinken wil zakt de koffievijver wil ik eten wijk jij, altijd wijken.

je vervaagt en ik weet niet waarom.
is er iets mis met mij?

zondag 13 januari 2008

effecten, zat van lezen


schip dondert achterwaarts in zee. En ik in het kielzog... Ik schuim. Met ogen dicht... laat ik alles fladderen. Elk element bezet een kust. Kust. De Spaanse peper doet pijn, zacht. Ik grom. Dat kan ik. Diep in mijn buik zit het monster. Er groeit vel overal. Om veel te voelen. Het verkleurt. De mast tekent lijnen en zeilen en klimt in mijn want. Ik schop hem soms, maar liefst, liefst laat ik hem komen. Mijn kraaiennest is rijk en open. Mât de cocagne. Ik ben er niet. Ik ben nergens. Waar ik niet ben, ben ik ook. Niet. Ik was gewoon het. En mijn hart klopt. Ach, die pluk haar ja. Maar een handvol, dat was ik niet. Ik was meer... ik was meer armenvol, zeeënvol, ademvol, kreun... verlangen. Een kom. Kom!

Het schip wendt de steven en alle hens aan dek. De Capibari zijn in zicht. Open rotsspleet, diepe geul. Mensenkinderen en al d'anderen. Leeuwen, tijgers, krokodillen. Slang. Grote slang, kom binnen. Weten. Bijten. Kop en staart en h... h... h... dubbel, alles, niets, de twee... negen... negen staarten. Groene ogen. Chatoyant.

Ik voel mijn vleugels gloeien en klapwiek, snak naar adem. Het gif spat. Explosie, duizend kleuren. Een gigantisch schilderij wordt geboren. Ik kijk van onderuit. Perspectief. Hoooh, perspectief. De ladder hangt uit, ik klim het kader binnen en ent me op en op en op. Onontkoombaar. Ik vloei uit. Ik verspreid mezelf daligewijs en glijd naar boven en naar binnen in de buis. Mond, oren, ogen. Spaanse peper. Hatsekidee! Wat is me dat hier allemaal? Caland a po unding in my e aaaaar!

Ik at een koninginnehap. En kijk! Ik ben bezeten. Het gek draait in me rond. Warm. Zo warm, zo heet. Ogen vallen naar beneden. Woorden struik-en sriit . er gaaat eIts een beetje fout hier, der. Derde het lijk de gorend hfut? total nite dus totaal niet. Alles goe. . . prefect in OK, orde. ORde weg geen orden noidig het fgaat wel. reaal, reall re-el- niet ik in teken tijd, echt... dhet dromt samen uuite lkaar. het se gewel dig moiiii daar. Laat me ik leef goed expansi... exponnn . geen bogus hier. een legua min of moeder ka ka ka. bobiseer. Bo bi ka so enz. Zat gelezen. Rook, hebel pfffffft. danke danke... kus. Vlieg. OOOOOooooooh. Merci. k zie goud. halo. licht schfijr lame blin sonder ogen gedoe. Toe. leer leer leer. hmmm het heer. cachée ; lezen, ale letters bekeken, zocht; geef –watr moet ik wettennnn, alles wil ik. waanzin lezen. Gek gek ek. ik ben niet ik niet meer. toch echt. veel. echt recht, welvingen. gewelfd gewolfd. wol vin. veel genaamd enzove... dupke dacht ge. du irrst dich duir errg K F I L Y ;hehe. ik dans . ga ogen dicht. moe; kapot. doodgraag. Reële. Open wijd ruim. Rijpe papaya’s plukken.
Ik lach met al mijn monden. Reken maar!

spaans


Naïef!?
Oh ja, dat denk je wel.
Ik laat je in je wezen.
En al de anderen eveneens.
Ik ben messcherp,
heb peper aan mijn handen
en hemel, als ik kan,
zal ik je bestrijken.
Je zal kreunen van pijn,
krimpen van plezier.
Ik was me niet.
Nog niet.
Mijn tweede huid heet naïef.
Speel er nog wat mee!
Pas op voor je ogen, je neus
en je geslacht.
Wat heet...
(?)
(!)

vrijdag 11 januari 2008

zoals het is!


Schaarse boodschappen… het noodzakelijke. Straks is er nog slechts half. Het geeft te rekenen. Het gééft vooral: Tijd, vrijheid, duidelijkheid. Er wordt geselecteerd. Zwaar geselecteerd. En plots blijkt veel niet meer belangrijk. Belangrijk blijft dat ene. Het verlangen… altijd te verlangen.

Tijd dus om te leren. Te lezen. Rond te struinen en uit te zoeken wat Genot is enzovoort.

Als ik naar de kassa stap, beent een oude man met overvolle boodschappentassen naast me door. Een pet op het hoofd, een overjas… en daaronder blote benen. Een zak goedkoop hondenvoer, WC-papier en *-weet wat nog al meer. Maar vooral die blote benen dus, de voeten in strak opgetrokken sokken en een paar bruine sloffen. Het is doodnormaal.
Tussen de slippen van zijn jas is zijn broekloosheid overduidelijk. En toch is daar niets onwaardigs, straalt hij niets anders uit dan gewoon te zijn.
Hij kijkt op zijn horloge. Moet ie nog dringend ergens heen? En verder… gaat hij op in de wachtrij. Ongestoord, onverstoorbaar, helemaal zichzelf, zo lijkt.

Ja, zo hoort het, denk ik. Gewoon, zo als het is, zonder min of meer.

Ongestoord en onverstoorbaar.
Goed is goed, slecht is ook goed, kreeg ik te lezen.
Of in een andere versie: mijn hart klopt nu, altijd nu.
Niet zo simpel!
Maar ik leer!

reden te meer

La Vita Dell’Omo - Giuseppe Belli

Nove mesi a la puzza: poi in fassciola
tra sbasciucchi, lattime e llagrimoni:
poi p’ er laccio, in ner crino, e in vesticciola,
cor torcolo e l’imbraghe pe ccarzoni.

Poi comincia er tormento de la scola,
l’abbeccè, le frustate, li ggeloni,
la rosalía, la cacca a la ssediola,
e un po’ de scarlattina e vvormijjoni.

Poi viè ll’arte, er diggiuno, la fatica,
la piggione, le carcere, er governo,
lo spedale, li debbiti, la fica,

er zol d’istate, la neve d'inverno…
E pper urtimo, Iddio sce benedica,
viè la Morte, e ffinissce co l’inferno.

donderdag 10 januari 2008

Reëel


Intens... ja, zo is het. In elk opzicht. En zo houd ik het nog wel even. Als dit lichaam zo uitbundig met me aan de haal gaat, dat ik enkel nog kan volgen, als ik dan sta en voel, voel hoe alles vloeit, het bloed, het zweet, de zuurstof, tinteling, zinderende energie die mijn bekken vult en stijgt tot in mijn borsten, nek en hoofd en hoe mijn longen zuigen aan de lucht, zich eindeloos vullen en zoals het leven zelf nemen wat ze nodig hebben en loslaten wat er rest... Dat alles rond me verdwijnt en ik mijn blote voeten volg en draai en kronkel in de lendenen, stamp en vecht met voeten en vuisten in een schaduwvol bereik... En dat ik haast tevreden zucht, om toch het volgende aan te vangen, vol overgave en... vertrouwen.

Vertrouwen dat ik eer niet kende, afgedwongen en vervolgens verzekerd. Vertrouwen dat ik vallen mocht en vrijheid daarin te groeien tot ik plots besefte, hoeveel ik vroeg en eiste en tenslotte voelde: dit is nu voldoende, in volle wetenschap dat dit de situatie is, er eigen volheid integreert op stevig fundament. En dan het laten vallen, de ander in mijn handen en ik die daar het risico bereken... hoe ver die vallen kan en mag.
Ik sta er en ik vang wederkerig.

De ogen blind laat ik me leiden, moeiteloos en los en enkel die paar vingers die mijn lichaam dirigeren. Geen zicht en geen geluid, alleen het grondcontact en vertrouwen in die andere hand, ontspannen... en daar vervloeit hetgeen ik ken, het lichaam dat ik ben, er is niets aanwezig, geen grens aan het beleven, er is vrijheid im total, ex-stase... die ik moeizaam op wil geven.

En er zijn de anderen aan wier lichaam ik me laaf, handen, buiken, ruggen, haar en vel... En ogen om in te kijken en mezelf te zien. En vreemd genoeg zonder behoefte de frustratie te benoemen, die ongenadig wordt overmand door eigen kracht, schoonheid, vrouw, puur geslacht (m/v), uitputtend aanwezig zijn en vragen naar grenzen, levensenergie en.... eindeloos verlangen.
Ik zie het daar, het is de horizon die altijd weer verschuift, het is de einder in de ruimte, het is een altijd trachten en een eeuwige pijn. En daar, dat moment, kon ik dat aanvaarden. En nu is nu en nu is goed en morgen is onzeker.

woensdag 9 januari 2008

genieten


Water, overal water. Heerlijk water, heerlijk gevoel. Ik zwalp op golven, op schuimkoppen, op glijbanen van onmetelijkheid. Vel op water op vel... en waar mijn handen glijden houd ik ze niet tegen. Gladglijden, vingervleien, spreiden van armen en benen, verglijden....

Geluid verglijdt tot klank en hecht zich op mijn lippen waar zoutkristal schittert als zirkoon. Ik roep zo hard ik kan en lach terwijl. En tegen al de golven in moet dit klinken van top tot top tot in het midden waar het keert en... terugpletst in mijn buik, precies vanwaar het kwam, zo diep en zo reëel. Zo onvervreemdbaar van mij. Mezelf. Het streelt. Het kolkt, het slaat, het geselt tot het explodeert en vliegt en brandt. En waar het bij de ander komt slaat binnen wat wordt toegelaten, blijft buiten wat niet binnen kan, wordt aan mij teruggegeven.

Wat nodig blijkt is ruim voorhanden en al de rest is... mooi misschien, doch....
Lichaam, leven, voelen, klinken... dat is mijn geloof.

Holy shit, holy body, holy ass, holy breasts, holy hands and feet... en alles van inname en afbraak en uitbraak enzovoort... Diepe zucht, hèèèèèèèè. Mij. Mes genoux, mes fesses, ma langue, mes lèvres - Ha, het schokken van de schreeuw, het vuur...!

Ik leef me uit.

500 recycled


verstopt (klik)

maandag 7 januari 2008

wateragaat


Ik weeg hem koel in mijn hand. De polijsting, de ribbels, de groeven van mijn vingers… passend als een krokodillengebit. Hoe zacht het klinkt, dit zo te noemen, de ijzersterke houdgreep van een monsterachtige kop die genadeloos de zachte nek in tang neemt van het weerloze gnoekind. Hoor hoe de wervels kraken, het merg ontspuit… en bloed het water kleurt in het oog van het reptiel. Hoor het geblaat, het snokken en het laatste stuipen. En rollen om en om in het water, de spatten hoog rond de geschubde staart, een regenboog in de zon, tot… stilte volgt en zwelgen. En iedereen die kijken zou vol spijt het kalf betreurt wijl niemand juicht om het recht der sterkste. En toch hoort het zo te zijn,
niet anders .

Ik leg mijn vingers in zijn nek en tast de huid en aders en tussen spieren in palpeer ik het slaan van bloed tegen de binnenwand. Het buitelen van de adamsappel, het schokken van het sleutelbeen terwijl de adem diep verdwijnt. De… laatste? De laatste? De laatste?

Ik wacht en slijp mijn tanden. Mijn keel is droog als een woestijn zo wijd, koud als permafrost. Mijn ogen breken bij het kijken wat ze zien. En met de kop getilt zoek ik de juiste plek. Mijn vingers zullen landen tussen hoofd en nek, duimen voor omhoog en… knik…
Zijn contouren zal ik likken en met een vuist op het hart zal ik tot leven blijven…dwingen. Herhaling Druk repeat. Slaan, slaan, slaan…Ik zoek voldoening. Begeerte is de naam voor wat ik wil.

Ik weeg hem koel in mijn hand, de gepolijste hydroliet. Binnen in klotst zacht het vocht, naar het licht gericht amper zichtbaar doorheen opaak agaat… een luchtbel, met eeuwige adem en een occlusie van tijdloos water.

Hij licht in mijn handpalm. Zo nabij en tegelijk onbereikbaar.
Als verlangen?

zondag 6 januari 2008

o kuise den vlaming*


In een poging om de nieuwe regels, die vanaf 1 januari 2008 omtrent de afmetingen van onze brievenbussen gelden, te illustreren had een krant een foto gepubliceerd van een paar bronzen vrouwenbillen met daartussen de gleuf voor de poststukken.

Terwijl ik in het ouderlijk huis hiermee zit te lachen, kijkt plots Nr. 2 over mijn schouder. Nog net kan ik wijken voor de ijskoude afkeuring die ze tussen haar tanden in mijn nek sist.

"Hoe wansmakelijk", weet ze nog toe te voegen.

Tja...

* Naar het lied:
Oh kruise den Vlaming door moeders hand op 't voorhoofd gedrukt en in 't harte geplant... enzovoort.

...


Als zuur
als vuur
als larven
op een stinkende wonde
bloedzuigers op een
diabetesteen…

Verschrikt
ontregeld
kribbig
verward
verteerd

Bijt!
brand !
rook uit!
knaag!
zuig!
zuiver!

tot de essentie

wachten

Mpmmmmppp pfmmmmfmm, mpmmmmmmfmfpfmp mffpmp, mpmmmmppp pfmmmmfmm ffpmmmpmf mfpmppfmp mfmppfmppmpm ffpmffpmmppp. Mppppp fppmmmppppppmppmpppff? Mffppp mpmmpp ppfmmfmfpfmpmpppppmpm fpmmpppfffmppffmpppmp mffpmp. Mfmmppmmppmfmffpppmpmmpmppfmpppmpfmp pffmffpmmmpm mffpmp fmmfmpmppfpmmffmfm mpmppfppfpff. Fpmmpppfffmppffppffmffppmppppp. Mfpmppmpppmf mpmmffmpppfm, fmpfmffmmfmmmppppp mmmpmf mfpmppfmp mfmmpppmppffppfppppmpmpppmf fpmmmmppp mpmmmmpffppmmppppp, mmfmpppmfmmmmpfmmppffmmmmmmpmp mppppp fmmfmppffppfppmmpppppmpm mmppmfppfmppmpm mfffmm mpppff... mffmppfmpfmm mpmmmmfmp fmmfmpfmffppfmp, mpmmmmfmp mmmmmmppp ppmmffpmmppp pmfmffpfmpfmmppppp fmppffmpppmpfmp, mpmmmmfmp ppmmffpmmppp mfpmmmpppmpmmppppp mpmppfmppfmp fpmppfmpppmfmppppp. Ppfpppmfmmppfmpfppmffpmmmpfmpppmfmpm ffpmmmpmf mffpmp mffmppppmmmmpppmpm pffmmmpmpmppppp, ppmmmmmmmpff mpppff mfffmm mfpmppfmp mpmppfmpppmf. Mpmáfmp, mpmmmmmmmpff mfmmmmmmmfmp mfpmppfmp ppfppm. Mffpmp mpmmpppppmpmmpppff ppfpppmpmmpppfffmpfmffmmfmmmppppp mmmpmffmm mppmppppp pmpppfpmfppfppppppmpp ppfpmfmffmpfmmmpppfmpmppppp. Mpmmpp pffmppfmmppfpppmmmpppfmpmffmpp fpmfmfpmffmp ppmmpp. Mffpmp fmmpfmpffmppmffmpm ppmmpp. Mpmmpp pmpppffmfmpmmpp mmpmffpmmfmp ppmmffpmmppp fpmmpppmf, fmpmmmpmppmpmppppp fmmfmppffmffmppppmmppppp mppppp fppmmmmmmpff ppmmffpmmppp fpmppfmppfmpmppppp ffpmffpmmppp mfmpffppfmppmffmppppp ppmppfpfffmmmffmfmmpp pmppmfppfppmpfmmppppp mfmmpppffppfppppppmppppp mmppmfppfmppmpm. Pffmffpmmmpmmppppp fppmpppffmpm fppmmmpmffmmmppppp fppmmmpmffmmmppppp fppmpppffmpm pmfppfpfmmppppp, fmmfmpmmmpfmpfmmppppp, pmppmfmffppmppmmppppp, pmppfffmfmffpfmmppppp, fmmpmffmfmffpfmmppppp, pmppmfmmmfmffppmppppp, mmpmffpmmfmpmppppp, mmpmppmpmmpppmfmppppp, mmmmmmmffmppppp mpppppffpppffpmppfppfpfffmp. Mppppp ppfppfpmp mpmmmmfmp mpmmppmppmpm mpppff pppmffmppfmp fmpppfmpp. Mfpmppfmp mfmmmmmmmfmp ppfppm mpmmmmfmp mpppppmpp. Mfpmffpmm pmpmmmppp mfpmppfmp fppmppfmpmppppp. Pmmmpp ppmppfmppfmp fpmmpppffpmfmmmpppmfmmppppp fmpmpp fpmmpppffpmfmmmpppmfmmppppp....
Mfpmppfmp MffFmm ppfpppmmpmpppffmppmffpmpmmpmmmmmmpff. Ffpmppmfmmfmmppppp ffpmpp. Mpmmpp pffmppfmmfmp. Pmmmpp pmpmmmppp mfpmppfmp pppmffmppfmp fppmffpmfpmfmppppp. Pmmmpp mmpmpppppfmp pmppppmppfmpfmpmpppffmfmmpppmp. Mfpmppfmp fppppfpffmpmfmp pmmmpp mpmppfppfmpm. Pmmmpp ffpmmmpmf mpppff ffpmffmpppmp fpmmmmppp fppppfpffmpmmppppp. Pmmmpp ffpmmmpmf mfpmppfmp pppmffmppfmp pffmppmpmmpmmppppp. Fppmpp ffpmffmppppp pmmmpp pppmffmppfmp ppmmppmpppff mfmpffmmmmmmmfm. Pmmmpp mfpppfppfpfffmp pppmffmppfmp ppmmppmpppff mmpmffpmm ppfpppfmm... Mmmpmffmmppfmpf mffpmp mfpmppfmp ffpppffmf fppmffpmfpmfmppppp. Mfpppfmpp ffpppffmf mffpmp pfmmmmfmmfmmmppppp ppfpfm mppmppppp fmfmfffmpmfmmppppmmppfmpmppppp mppfmmmmfmfpmpppffmffmmmmmmpppfmm fpmpmfmmmpmp? Mfpppfmpp ffpppffmf mffpmp ppmmpp pppmmmmmmpff mpmmpp pmpmmmpppfmp fppfmfpffppmmppppp, mmpmppmppfmppmmmpp mmpmffpmm mmpmppmppfmppmmmpp fpmmpppffmmmpppmpmmpppffmpppppmpm? Ppfmpf mfpmppfmp fmppffmmmmfmmpp pfmpffppfmmfmppfmm pffmmmmpmmffmmfmmmmmmpmf mpmppfppfpffmmppffmpppmpmppppp mppppp mpmmpp ppfpffmpmmpp fpmmpppfffmmfmpppfpffmppppp. Mmmmmfmfp, fmpmpp fpmmppmpppmf mfmmpppffmppmpmmpppppmppmpppff. Fpmmpppffmpmmpppff. Pppmffmppfmp mpmmppppppmpmppppp. Mpmmpp mmpppfppfppm mfffmm mpmmffpmp, mpmmpp fmmfmpmmmppm pfffmffpp. Mffpmp pmpmppppp mfpmppppm fpmmmmppp ppmmffpmmppp pmpmffpppmpmmpppffpmmmmmpffmppppp. Ppmmffmpmmpmmppppp mffppp mfpmppfmp mpmppfpffpfm. Mpmmpp fmpmmmpmppmpmppppp mmppffmpppmpmppppp ppfpppmpmmpppff ppmmffpmmppp fpmmffpppmfmmpppfffmm. Ppfpppfpmmpppfffppmmmmmfmfpfmp. Mppppp fmpppfmmfmfp. Mpmmpp pmpppffmfmpmmpp mfffmm ppfppmmfmmppfmmpmfmmmmfmmppppp ppfpfm mfpmppfmp pfmfmfpppfmp mpmmmmfmp ffpmpp pppmffmppfmp ppmmppmpppff fmpmpp fpmppfmpppmfmppppp mfffmm. Mpmmpp mmpmpppffmfm mfffmm fmmfmpmppmffpmf mppppp fmmmmfmfpmpppffpfm. Mffpmp fmmmmfmfpmppfmfpff ppmmffpmmppp mfpmmmpppmpmmppppp ppfpfmmppppp mmmmmmppp mpmmpp pffppffmpfmmmppppp. Mfpmffpmm fpmmpppffmfmpfffmfmfffmmfmp. Ppfpppfpmmpppfffppmmmmmfmfpfmp. Mpmmpp ffpmppmpp mfffmm ffpppffmffmp mppppp mmppffmmmpppmpmfmp mffppp ppmmffpmmppp mmppmfppfmppmpm. Ffpmpp fpmmpppffmpmpffppfppfmfmfmp. Ppfpppfpmmpppfffppmmmmmfmfpfmp. Mfpmppfmp mmppmfmffpmmpmpfmp ffpmppmpppff mpfpfffmffmmfmppffmpppffmpppppmpm mmmpmffmm pppmffmppfmpfmm fppmmmfmp mffpmp fppmffpmf pppppfmfm mfmmmmmmmfmp. Mffpmp mmpmffpppmpm ppmmpp ppmmppfmp mppmppppp pmpmppfmpfmpmffpppmfm fpmmmmfmmfmp. Mfmmppmppppp mffmpmmppmpp fppmmmfmp pmpppfppmmppppp mfmmmmmmmfmp.

Mffpmp fppmmmmmfmfpfmp ppfpfm ééppp pmpmppmpppff pfmmpppff mpmmmmmfm mmmpmffmm mpmmpp mmmmpmmpppmfmmmmmmpff ffpmffpmmppp mfpppfpfffmmfmp fpmmpppffpmfmmmmmmfmp mppppp pfmmffpmpfmp mffppp mfpmppfmp fpmpmfmppmppfmm fpmmmmppp ppmmffpmmppp ffpmffpmm. Mffpmp fppmppmppfmp pppmffmppfmp ppfmpf mffpmp mpmmmmppppmp fmf ffpmppmfmmfmmppppp ffpppffmf, ppmmmmmmmpff mffpmp ffpppffmf ffpppf mfmpffmmmmmmmfm ffpmffpmmppp fpmmpppffmppppp fppmffpmfpmfmppppp fmmfmppffmpppmfmppppp... mppppp mpmmmmppp fmfmfffmppfffmfpmppmpmppppp ppmmfffmmfmmmmfmfpmffmppppp? Mppppp mmmpmffmpmffpmmmpm mffppp mpmmpp ffpmffpmmppp ppfmfmmppppp pmpmffpmmpmpmppppp. Fmppffmmmmmmmfm. Ppmmppfmp mfmmppmmpppfpppmpmmppppp mfpmmmpppmpmmppppp....

zaterdag 5 januari 2008

vuur VIX


Ja, daar is dat vuur dat lokt. Die warmte. Vlammen die schroeien. Dat bijzondere licht waarbinnen alles anders wordt. Kijk! Kijk naar dat gezicht. De ogen gloeien. Het lichaam beweegt zonder te bewegen. De schaduwen leven vanzelf. De handen rusten schijnbaar in een dunne schoot. Alles is wat niet is. Ik kijk, kijk neer en kijk weer. Het was er, verdween en verscheen. En geen ogenblik bewoog de buitenkant. Slechts mijn ogen en het vuur vingen de reflectie van wat ze dachten te zien. Als een schatkist. Rafels van gedachten, ideeën uit een ander universum, linten, verbindingen.
Zo breekt alles, als het wateroppervlak licht, zo breekt alles tot iets anders, iets spannends, ontregelends, verwarrends, tot een …begin. Ja.
Het vuur, ik geloof dat het daar zit. Dat het armen stookt tot die vleugelslag. Dat het ogen doet schitteren en woorden warm maakt zodat ze tekens branden.
Hoe kan ik slapen als niemand de wacht zal houden? Wat als het dooft en ik wakker word in kou?

prison




je ne vois pas la (?) cachée dans la fôret


Het had met gordijnen te maken en met nagels, een kat met negen staarten, een ballon ontploft. Stoom uit gaten, messen, papier, en draad. En koorden. Het had met stukken te maken en delen en optellen van waarden. En met het hoogste boven het laagste. En hoever daar in te gaan. Het had met uitersten van doen en breken en pijn. Met paden en geweld en genieten. Met lijnen en kleuren tot waar en het niet bestaand verklaren. Met alles van veel en van veel nog meer. Met deksels en schulpen. Oneindigheid en onmetelijk en daar nog ver ver voorbij, oppersten en uitersten en willen en verlangen. Een bos met bomen en bladeren en schilders, gesloten ogen, het verborgene zien. En wit vlees met vlekken in purper en roze en blauw en groen en trots. Koevoeten en instrumenten en bergen die verschoven. Woorden en bedelen. Vuur vanbinnen Het gehakte hout, de kettingzagen, de kleren op het zompige mos, de rotte bladeren, de dennennaalden, een beschimmelde klamme stronk, de buizerd in de hoogte en een lichaam zonder meer. Het liep op splinters en zat op schors, boombast tegen de naakte borst, een pissebed tussen de tenen. Wat ijs op het brakke water en de stoel in het midden. Neem plaats, neem plaats… , het woud opent zijn schoot om in te verdwijnen.

Wat verder op het pad passeren wandelaars met honden. Een eend vliegt op in paniek. Eyes wide shut... Het is verstopt. Het is er maar ze zien het (niet).

vrijdag 4 januari 2008

stukje ( na delen uiteraard)


Er zijn de hoofdletters en de kleine letters. Er zijn subjecten, objecten, (abjecten - die doen er nu niet toe). Er zijn Franse woorden, Duitse, Nederlandstalige, Engelse en niet te vergeten Latijnse, Griekse enzovoort. Er zijn ronkende namen. Er zijn boeken, gedichten, schilderijen, ideeën, theorieën, kennis, inzicht, verbanden, overzicht. Er is een hoofdloos wezen dat vertrouwt. Er is een onvervulbaar verlangen en de drift om het te bereiken. Het wezen vecht en rust en vecht en raakt verstrikt. Er is de Ander die het stuurt. Het wezen moet willen. Hij zegt Nú.
Je sluit je ogen en je springt.

donderdag 3 januari 2008

absoluut niet elementaire deeltjes


Ik leg wat stukken opzij. Of ik ze nog nodig heb? Ik denk het niet. Niet meer. Nu ja, weten doe ik het niet zeker. Maar ik heb ze al zo lang gebruikt. En ook de rest. Misschien moet het dan maar. Weg. Afval. Van object naar abject. Vuilnisbakwaar. Of on-waar? Noch - ook - dat - enzovoort - zeker?

Knieën… overbodig. Of… wacht, misschien om op te zitten als ik bedel. hond. Of om te kruipen. Of… te laten breken. Met een hamer. Of een exarticulatie met een machete. Wat er in de aanbieding is. Neen, ik houd ze nog even bij. Schouders… Oh, maar jij hebt vleugeltjes… Een afwijking ja, zwakke spieren. Alata, balata, calata, enzovoort. Ik kom er niet mee van de grond. Zinloos, nutteloos. Alles wat vandaar naar beneden hangt… neem! Behalve één kommetje van mijn hand. Bedelen weer. Kommetje. Leeg kommetje. Kom. Kom, liefje, kom dan. Gebakken lucht. Baf! Braaf. Zit. Schijt. Ik moét je slaan, mijn kind. Daardoor besla je… euh, besta je. Dat begrijp je toch? De schouders dus, en de billen. Die moeten blijven. Die ook. Verder …niets. Vel? Villen. (Willen betekent niets). Zonder gaat het voelen beter. Zolang de prikkels er zijn. Prikken. Met een naald? Een mespunt? Hatak? Attaque! Tot de hersens verdwijnen in een vette paté van slachtafval en brij, dan is het voorbij. Ah ja, een lampekap ermee maken. Natuurlijk! Niet meer aan gedacht. In dat geval eerst nog versieren, kerven en snijden voor het juiste patroon. Ialata dan. De mond is dood. Jawel, goed voor elkaar gekregen. De lippen dicht. De deuren van het Grote Huis der koningen zijn dichtgenaaid met doornen. De ogen blind verschrompeld. Dat laatste steekje in de hoek heeft gewerkt als een speld in een ballon. Nog iets? Och uiteindelijk… het kommetje dus. Het kan als asbak dienen voor genot of zo. Het staat voor alles open.
Wat blijft… Het komen kijken en weer weg... door te negeren accentueren. Dat het er is. Jeetje, what a mess. Wie belt er de poetsdienst.
En een fles javel. Begrijpe wie begrijpen kan, maar vraag me niets... ik ken de antwoorden Niet.
Deaf, dumb and blind - ronduit ... pathologisch.

(Uit: In theorie werkt het zo, maar de praktijk moet je voelen, hoofs-tuk elfendertig, Geweldige realisaties door Von Münchausen - het zichzelf binnenstebuiten trekken. - lezen met: beeld, geur en geluid)

droom


Ik zit in een plas vol platte beestjes. Het is koud en vuil. Met mijn handen graaf ik, woel ik. Er is daar niets. De slang is verdwenen. Ik mis haar. Traag ontdoe ik me van mijn huid en leg me schijfje per schijfje neer op de rand. Het laatste mijn vingers, want die heb ik nodig.
Om nog even te schrijven.
Schijfjes – heel dun en overal.


Hmm. U stoort me. Ik ben puin aan het ruimen. Niks ernstigs hoor. Dat gebeurt elke dag wel een keer of zo. In het licht van de tijd stelt het echt niks voor. Echt niet?
Koud? Wat zou! Natuurlijk heb ik het koud. Maar ik mag niet egoïstisch zijn. Mijn kleren heb ik aan de vissen gegeven. Ze hebben het nog kouder dan ik. Vooral die steur. Hij stond juist op punt kuit te schieten. Met een warme jas gaat dat vast veel beter. Kaviaar voor de feesten.
Hoe? Zegt U? de feesten voorbij? Ach, tja, dat heb ik dan gemist. Nu ja, volgend jaar opnieuw. Missen hé, want ik laat me daaraan niet vangen. Onder geen enkel mom. Me verwarmen? Hoe zou u dat wel willen doen? Extreme wrijving? Ah, leer bedoelt U. Oh ja, natuurlijk. Bedien U. Hoe had U het graag gehad? Neen, neen, echt geen probleem. Verdrietig? Ik? Ach, totaal niet. Neen, echt. Gaat u uw gang. En als u klaar bent, graag even uw voeten vegen. Neen neen, zoals iemand ooit adviseerde…

“…het getuigt van aandacht. Daarbij, zo genoemd worden, getuigt minstens van de beeldende aandacht die een persoon voor minstens één aspect van de andere persoon heeft. En dat, dàt is uiterst zeldzaam. Aandacht dus. Ik zou daar niet over klagen. En er gewoon op ingaan.”.

Zodoende…
Ik blijf dromen.
Er zijn essentiëler zaken. Schijfje per schijfje ga ik verder. Er is genoeg om te kunnen dammen.
Damn.
Of zo...

woensdag 2 januari 2008

delen


Rechts is warm, links is koud – mijn oren…
Rechts is koud, links is warm – mijn handen…

Voor de rest heb ik het … koud. Ja. En moe ben ik. En gefrustreerd. En geduldig. En ongeduldig. Want beiden. Ik leef op een hele smalle twijg, op de rand van een blad papier. Met elke verkeerde beweging dreig ik me te snijden. Stel je voor: ik sta op het blad en val en recht op het scherp word ik in twee gedeeld… wat zou je dan krijgen… behalve knoeiboel? Twee helften en een leegte ertussen. Of een ruimte, iets duns, zo dun dat het niet bestaat. Ik glijd langs het blad naar beneden en daar voeg ik me weer samen. Rare gedachte. Het intrigeert me. Stel, stel dat dit kon, zou er dan aan het einde iets wezenlijks veranderd zijn? En neen, niet de anatomie. Ik ga ervan uit dat dat wel goed zit. Maar het zijn ?

En verder? Verder niets. Ik heb de hele avond al genoeg gedacht aan het ontbrekende. Het gat, de leegte, de ruimte, dat wat er niet is en wat daardoor constant bestaat. Dat kleine iets.
Nu ga ik een banaan eten.
En zwelgen in de rode wijn.
Wat ik daarna nog kan schrijven of fotograferen… als ik nog iets kan realiseren, of niets… het is van nul en geen belang.

Ik wil antwoorden, ik stelde reeds de vragen.
Ik ga nu in handenstand de kamer uit en warm mijn omgedraaide lichaam aan de stoof. De wijn zal in me blijven of niet. Dat ligt eraan hoe goed ik terug in elkaar gezet ben.
Misschien lek ik wel uit mijn…verticale lach?

la femme n'existe pas


rot vanbinnen
waar je vingers tastten
rond mijn ingewanden

beter dan gewoon slijk
naar teef
tot slot machine

haal de hendel over
onthoofd me
tot niets

zwarte code
leegte die niet bestaat
tot ding

de richel
l'abîme
alles stort in

verlangen
voorbij het mogelijke
leegte

de wereld draait
terug

dinsdag 1 januari 2008