donderdag 25 december 2014

woensdag 24 december 2014

vrijdag 12 december 2014

daar zij lucht



Raoul Ubac - Tohu Va Bohu. Huile et résine, 1955




hoofdstuk 14, § 12, p. 12
geneze

woensdag 3 december 2014

zucht

Sein

the s’I I am
sighlent sigh’n
what I signifigh
t
rough
migh
t
eyered tearful I’s
a Sein
that's more
than a sigh

zaterdag 29 november 2014

zondag 16 november 2014

zaterdag 15 november 2014

onder in my whiskeyglas...

1.
ons is alleen in die sauna
jy dink ek is straight omdat ek getroud is
ek wéét jy is 'n taai straight suburban koekie
ek maak my bo-stuk los en draai op my maag
ineens peul jy uit jou eenstuk
jou onge_tan_de gedeeltes highlights in die stoom
bobbel jou borste in 'n satynglans van sweet
my hele vagina ruk boontoe
ek lê sprakeloos toegeswel
argeloos tuimel jou cellulitelose bene oop
en ek voel of ek wil uitpass
soos my tong reeds
grondboontjiebotter op 'n heuningsny rondsmeer

2
jou tiete twee massiewe sampioene
hulle jol juggle juggle juggle
jy kyk gulsig na my lebberige maag
waarin binnegoed computergames skiet
ek slaan my vingers soos klou in jou dye
god! al taal wat hier geld is "ferm vlees"
en soos ek jou lyf oor die mat rol
en jou tong in duisende tonge rasperig my brandsteek
wens ek ek het, nee jy het, nee ek
wens ek iemand hier, het piel!


Antjie Krog



hoofdstuk 14, § 11, p. 15
geweld - taal - rook - taalloos

zaterdag 8 november 2014

zaterdag 1 november 2014

amfibool - tot de zevende macht




Het is ochtend en ik houd me vast aan een kop koffie. De nacht was te kort. Alles lijkt bizar: waarom ik hièr zit, hoe ik hier kom en hoe ik me afvraag: heb ik een kater!

Mijn ogen dwalen in de registers van mijn geheugen.

Ik hang vast aan ogen van schitterend amfibool, gevlamde eb en mahonie, vingers die in een baard plukken, handen en armen die onverwacht explosief gesticuleren en woorden, uitdrukkingen, tussengooisels als ‘pfff’ en ‘oech’ en lach en gedachten kleurrijk boven de tafel schilderen, om daarna even plots stil te vallen in een schoot van magere benen die zelfs om elkaar geslagen nog toelaten dat beide voeten de grond raken. Ik wil mijn handen op die knieën leggen.
Ik houd me vast aan een kop koffie. Zwart legt hij een isolatielaag tegen mijn binnenkant terwijl ik mij uiterlijk als vanouds niet laat kennen. Tenminste, dat denk ik. Ik stort een bodem in mijn maag, een shot cafeïne, om me niet te verliezen in gedachten van 'utterly confused'.
Er zijn die haast vogelachtige handen, als kieviten op een veld, met onnavolgbare vlucht - dat duiken, zwenken, stijgen, rusten….
Ik had gezegd: “Ik wil ze zien en voelen”. Dat mocht en deed ik dus.
Ik palpeerde ze beiden (zou mijn ogen willen sluiten) en voelde ze als braille. De nagels, het bot, de huid, het vlees van de muizen. Ik navigeerde als vanouds tussen metacarpalen, vond snuifdoos en webbing. Zocht de ijkpunten, maakte een mentaal plan en hing alles vast in mijn eigen vingerprent.
Dat was ik, prentenverzamelaar. Van onzichtbare platen. Het handencabinet…
Met kijken en voelen van handen als puur genot.

Mijn ogen zijn daar gebleven, op dat gezicht. En als met een laserpen snijd ik lijn na plooi, de baard, de lange nek daaronder, kwetsbaar als Nzou’s plek.
Elke dag sedertdien.


1 nov. 2007 - 1 nov. 2014

woensdag 29 oktober 2014

dinsdag 19 augustus 2014

sjibbolet




hoofdstuk 14, § 8, p. 15

take if you will a picture





hoofdstuk 14, § 6
when doves cry

Man Ray




hoofdstuk 14, § 7, p. 16
iets echts, allez, een 'tEcst',  een 'ologie', een 'klitiek', een 'prickellende', onmiskenbare k-tekst
Shaddai?

storytelling













hoofdstuk 14, § 1-8
it's not what you think it is

donderdag 24 juli 2014

follow the dog




wilskracht schijnt een spier te zijn.
& spieriet is a bone. 
anatomie daar draait he tom
een hart van slach
een kop te stijf
een ons verstand
en niet het mijn
een scherp oog
een steek in de ziel
de ziel
onder de arm

waar maakt de wetenschap zich druk over
of de kerk, of  (…)
een spier is verrokken
een bone gebroken
-iet verschijnt waar ik verdwijnt

slotpleidooi:
verander niet
blijf 
vrij


maandag 14 juli 2014

Un Chant d'Amour








hoofdstuk 14, §6,p. 28 
van poëzie en rauw en schoon 
mag ik deze dans van u

zondag 13 juli 2014

Todd Messegee




Todd Messegee - The Bride Dresses



woensdag 18 juni 2014

donderdag 12 juni 2014

tango







hoofdstuk 14, § 6, p.7-8

dinsdag 20 mei 2014

afval

VUILNIS

Woordsoort: znw.(v.,o.)
Modern lemma: vuilnis
VULLIS —, znw. vr. en onz., mv. -sen (zelden in de bet. 4-6 en 8). Van vuil (I) met -nis (II). Mnl. vuulnisse. Daarnaast zijn ook de vormen vuilis, vulnis, vulle(n)s en vuilens aangetroffen. De vorm vullis (die niet is geattesteerd voor de bet. 1-3) blijkt jonger te zijn dan vuilnis. In de 16de en 17de e. worden beide op dezelfde wijze gebruikt; later blijkt vullis eerder tot de volkstaal te behooren en vuilnis tot meer formeel taalgebruik. Oorspronkelijk was het woord vr.; als coll. kreeg het later ook het onz. genus (zie hiervoor V. HAERINGEN, Gramarie 98). Zie ook GERL. ROYEN, Buigingsversch. 1, 316 en DE VREESE, Gallic. 422 voor een mog. verklaring van den mv.-vorm.
1.  Toestand of proces van ontbinding; bederf, rotting, verwelking, vermolming. Sinds lang veroud.
Vuylnisse, Putredo, Marcor, Rancor, Caries,   DASYP. [1556].
De Vuilnis, … die Faülnis, Corruptio, Putredo,   WEIDENBACH [1808].
— Het landt is seer heet ende ongetempert voor onse luyden, ende insonderheyt is schadelic die regen, die groote vuylnisse ende wormen by brengt, om datse vocht ende warm, een moeder is van putrefactie hier door ontstaen vele siecten,   V. LINSCHOTEN, Beschr. v. Guinea *** 1 r° a [ed. 1596].
2.  Hoedanigheid, toestand of proces van vervuiling; vuilheid, onreinheid. In de laatste aanh. bep.: onhygiënische omstandigheden. Sinds lang veroud.
Dencket wat pijnen hem dat was dat hij den groten stanc ende vuylnisse lijden moeste vander onreyne steden,   Neghen couden enz. G viij v° [c. 1505].
Seyt, dat hy … veel calveren moet villen …, twelck nyet behoort gedaen te worden in een stadt, alsoe tselve groote vuylnisse inbrengt,   in B.H.G. 33, 44 [1540].
Hiermede eyndichde het … beleg van Coevoerden, daer in der waerheyt geen drie hondert mannen voor geschooten ofte doot geslaegen en sijn, maer bovendien wel 1200 cranck ofte gequetst gewerden, soe om de couwe ende vuylnisse, die sij hier hebben moeten verdraegen als om de groote dierte van broot ende bier,   DUYCK, Journ. 1, 140 [1592].
3.  (In aansl. bij de bet. 1) Iets stoffelijks dat verrot, ontbonden, bedorven of vergaan is. Sinds lang veroud., behalve in enkele gewest. toep. onder a).
a.  Slijk, modder (als een mengsel van aarde, vuil, vergane organische stoffen en water); vervolgens ook: moerasgrond, veengrond. In de laatste aanh. eerder als coll. voor allerlei verrotte organische stoffen.
Colluuies … Eenen hoop vuijlnissen oft slijcs,   Dict. Tetragl. 58 d [1562].
Vuylnisse, slijck. Coenum, lutum,   KIL. [1588 ].
Vuulnis, moerassige, weeke grond,   DORREN 195 [1918].
  CROMPVOETS 204 [1981].
— Dat inde selve (meren) valt veel Modder, Slijck ende andere vuylnisse, bequaem om Landt daer mede toe te maecken,   Gr. Placaetb. 1, 1254 [1591].
b.  (Coll.) In het menschelijke of dierlijke organisme aanwezige bedorven, ziekteverwekkende stoffen.
Soo is 't ook met de lever, welke niets, hoe seer ook datse belast en beladen mogt sijn met Vuylnis, na de lies-klieren kan versenden,   C. BONTEKOE, Werken 1, 65 [1689].
4.  (In aansl. bij de bet. 2) Iets stoffelijks dat vuil, onrein, vies, smerig, walgelijk is (of als zoodanig wordt beschouwd), dat afkeer opwekt, veelal tevens met de gedachte dat het iets anders, de omgeving enz. verontreinigt; vuiligheid, vuil, viezigheid, smerigheid. Vgl. ook de bet. 5).
a.  In 't alg., inz. als coll. voor allerlei vuile, verontreinig(en)de substanties zooals (rondzwevend) stof, huis- en straatafval e.d.
Purgamen & Purgamentum, vuylisse oft tgheen dat wtghekeert is,   DASYP. Q 1 r° a [1546].
Vuilnis, opraapsel van de straat,   V. DALE [1872 ].
— Alzoo binnen onse Stadt groote onreynicheyt is, by gebreke datter geen karren ofte wagens zyn geweest, om die vulnisse ewegh te brengen, soe is enz.,   bij V. D. MONDE, Beschr. v. Utr. 1, 107 [1500].
Niemant (en sal) eenige derrije, ruijchte, vuijlisse oft sleck … in den dijck brengen,   VIERLINGH, Tract. v. Dyck. 132 [c. 1578].
So en sal niemant vermogen eenigh steen, puyn, leyen, asch, hoy, stroo, ofte ander vuylnis te werpen in, op ofte voor dese sluyse,   Handv. v. Amst. 714 b [1603].
Niemandt (sal hem) vervorderen … de Kerck ofte Kerck-hoven, met dreck ofte vuylens te ontreynighen,   Handtv. v. Ench. 374 b [1646].
Het weefzel van de snoode Spinnen, Dat hangt en zit in al de zinnen, Daar stof en vuilis in vergaard,   LUYKEN, Huisr. 79 [1711].
Burgemeesteren en Regeerders der Steden Haerlem en Amsteldam … hebben … goedgevonden en verstaan … te interdiceeren … op den Weg te werpen eenig Snoeysel, Scheersel, Onkruyd en diergelyke zaaken, welke uyt de Tuynen en Woonhuyzen, aan dezelve Vaart leggende, worden uytgebragt, en als Vulnis weggeworpen,   Keuren v. Haerlem 2, 466 b [1753].
Modder …, die door de zomerhitte in stof uitgedroogd …, de straaten vervult met wolken van een alleronaangenaamst vuilnis,   V. WOENSEL, Rusl. 110 [1804].
Schreit het niet ten hemel en schreeuwt het niet om wraak, alsdat ze tegenswoordig de vullis om den anderen dag ophalen, zoodat onze woningen … veranderen in holen des verderfs en der verrotting?   ABRAMSZ, Lev. Beelden 172 [1909].
—  In den verkl., als individuativum: vuiltje, stofje.
Ick mach geen vullisje op de vloer sien leggen,   NOOZEMAN, Hans v. T. 9 [1644].
—  In een spreekw. Zie de aanh.
Men moet zijne dooden niet met het vuilnis de deur uitdragen. Te Harlingen, waar dit spreekwoord gangbaar is, begraaft de geringere stand, uit eerbied voor zijne afgestorvenen, de lijken niet op Zaterdag, maar bij voorkeur op Zondag,   HARREB. 3, CLXIV b [1870].
b.  In toep. op de uitwerpselen van pers. en dieren: drek, excrementen. Veroud. (?)
Vuylnis, vide Dreck,   BERCKELAER [1556].
Vullis, Vuylnis, … dung,   SEWEL [1691].
Vullis, … excréments,   HALMA [1710].
Vuilnis, der Dreck,   Ned.-Hoogd. Wdb. [1846].
— Zoo wie bevonden zal werden drec of vuilnis uyt schoongemaakte privaten geworpen of geloost te hebben, 't zi in de wateren, in de vuilnisputten of yewerts elders dan buyten 't stadt op 't lant daar men die begeert, die zal enz.,   Leidsch Jaarb. 33, 160 [1583].
—  (Zegsw.) Treden als een haan die vuilnis tusschen zijn pooten heeft. Zie vuil (II), in de bet. 1, c).
Na ik hoor is 't al een kluchtig man. Zie hem eens treên, als een haan, die vullis het tussen zijn pooten,   LEMMERS, Boere Koopm. 7 [1682].
c.  In toep. op verschillende (als vuil beschouwde) afscheidingen van het lichaam, zooals vuil in de oogen, oorsmeer en roos. W.g. en veroud.
Die vuylnis in sijn ooghen heeft ende daer mede ghequelt is, Gramiosus, Lemosus,   BERCKELAER O v r° a [1556].
Furfures … Kleyne, witte ende drooghe vulnisse of schellekens dye van het hooft vallen,   Dict. Tetragl. 130 b [1562].
— Datmen name dye vuylnisse wt der slinker ooren van eenen hont, ende die de Coortse heeft, ende ouer hem draecht het helpt seer,   ALB. MAGNUS, Boeck d. Secreten 36 a [1551].
Je bent een gek! je wilt niet winnen as je kan. Krab eens de villis uit jou oogen as een man,   LANGENDIJK 2, 392 [c. 1720].
d.  Inz. in den landbouw, ter aand. van allerlei organisch afval, dierlijke excrementen, andere dierlijke resten, huisvuil enz., gebruikt tot bemesting van den akkergrond.
Pithumnus als Constich geest vandt de maniere, Om Dlandt te mestene met wijsen bestiere, Dwelck hem der vuylnissen geensins en schaemt, Want hoement beter mest …, Hoe dattet vruchtbarigher is,   Antw. Sp., Haechsp. i iv r° [1562].
Op andere plaetzen verstrekken gestampte ossen-beenderen, henneveeren, verkens borstelen en drek, en diergelijke vuilnis, den landen een welige mest,   DAPPER, Beschr. Sina 200 b [1670].
De ondervinding heeft geleert dat de afgang van dieren en andere vuilnissen tot het bemesten der landen zeer dienstig is,   DE LA COURT V. D. VOORT, Landh. 50 [1737].
Men vergadert … allerlei vuilnis, als: verworpene planten, dierlijke stoffen, oud muurwerk, aarde uit veestallen enz. en werpt dit op hoopen,   CAMPAGNE, Droog. en Apoth. 476 [1831].
Ook wordt (bij de aardappelteelt) gebruik gemaakt van vuilnis met of zonder hulpmeststoffen,   Versl. Landb. 1910, 3, 92 [1910].
e.  (Gewest.) M. betr. t. zoogdieren: nageboorte of onderdeelen ervan, zooals het kalfsvlies. Een enkele keer ook: baarmoeder (van een koe).
't Vuilis: de "naboel", de koek of placenta met vliezen bij het vrouwelijk grofwild na het zetten der kalfjes,   HERMANS, Jagerswdb. 391 b [N.-Brab., 1947].
5.  Wat bij een bep. koopwaar, bij bep. afgewerkte producten niet thuishoort, veelal wat ten onrechte is toegevoegd of wat bij de be- of verwerking als onbruikbaar verwijderd wordt; afval, ongerechtigheden.
a.  In 't alg., in versch. takken van handel en nijverheid.
Scobs, vuylnisse oft saechmeel,   BRECHTANUS G iv r° [1515].
— Dat gemeenlicken in elken sack wolle mede gesteken ende geworpen was 200 vullens ende sant,   R.G.P. 86, 109 [1501].
Op zommighe coopmanschepen … gheeftmen wel vier pont ten honderde toe, voor de vuylnisse oft lacage,   DE BUCK, Coopl. Handtb. 49 [1581].
b.  Bij goud- en zilversmeden, in de diamantbewerking: bij het bewerken verwijderde en met stof en ander vuil vermengde deeltjes van het metaal of van den edelsteen.
Aangaande de Vuylnissen van de Goud- ende Zilversmeeden, die hem (den affineur) gelevert zullen mogen werden, omme vergadert, gescheiden ende geaffineert te zyn, zullen enz.,   Handv. v. Amst. 31 a [1ste h. 17de e.].
Die geheele Laveur (smelt), zo wel zant als het daar in zynde Zilver, en Goud, welke Metaalen zig voor de Blaasbalk, in de Kom, als dan te zaamen vergaaren, en de gesmolten vuilnis daar boven op (welk men slek noemt,) die men van tyd tot tyd, met een Yser uit den Oven haalt,   V. LAER, Wegw. Goud en Zilversm. 183 [1721].
Daar zich in vullis uit den aard der zaak nog diamant bevindt wordt dit op chemischen weg er nog uitgehaald; dientengevolge is vullis een handelsartikel,   LEVIT. en POLAK, Diam. 446 [1908].
c.  Bij slagers en vischhandelaren: wat bij het verwerken van het vleesch of den visch wordt weggeworpen; slachtafval.
Dat een yegelijck de vullens van beesten, vissche oft andere nyet en zal laten leggen op de vischmarct, mair alle avende die ghieten midsweghen in de schuytte van St. Pietersghilde,   R.G.P. 69, 36 [Amsterdam, 1521].
Dat die gene die visch vercoopen willen … zullen staen ter stede ende plaetsschen daer hon die kuermeesteren wysen zullen … Ende dat ingedom ende vuylnisse van den vissche van der merct doen,   in STALLAERT 2, 5 b [1550].
6.  (Oneig.) Iets dat in zedelijken zin vuil, vies, verwerpelijk, afstootelijk is; wat van zedelijk bederf getuigt.
a.  Inz. in godsd. taalgebruik, in toep. op (aardsche) zaken die de ziel bederven (in tegenst. tot geestelijke waarden): verderf; soms ook: zonde, zondigheid.
Wat sullen die van hem seluen oerdelen die den eersten lichten graet noch niet volcomelijck begonnen en hebben. Ende die oude vuylnisse der dinghen ende des ghelts met eender onghelouicheit besitten ende alleene in bloten name des monics hem verheffen,   CASSIANUS, Der ouder Vad. Coll. 18 b [vert. 1506].
Als hi dit andermael gheseyt hadde so brac hi die poorten der hellen totten ioncxsten dage, so sullen alle verdoemde menschen daer in besloten werden met alle vuylnisse ende onreynicheyt, ende alle dat pijnlijc is opter aerden,   Tempel o. Sielen Y i r° [1543].
Den docsael up de zijde vanden bueck, noch nauwelic alf vuldaen zijnde, ende ghestoffeert met hijstorien oft ghesneden paercken …, de zelve zijn al uutgheworpen als vuijlnesse oft baalsche onzuverheijt,   V. VAERNEWIJCK, Ber. T. 1, 161 [1566].
Zoo dat het (lichaam) in de lucht Aen zijne ziel herknocht, den grave ontvlught, En rein gevaeght, by Godt wort ingelaten En d' Engelen, die 's werelts vuilnis haten,   VONDEL 4, 481 [1645].
Wanneer haer het leven in den lesten oogenblick hier begeeft, dan leggen d'ellendige zielen noch al hare vuilnis niet af, nochte trecken alle besmettinge des lichaems ganschelijck uit,   VONDEL 5, 269 [1646].
b.  Handeling(en), gedraging(en) die in zedelijken zin verwerpelijk is (of zijn).
De Staaten hadden hem (Leicester) den naam van Algemeinen Landtvooghdt gegeeven, om, onder dat dexel, hunne vuilnis op hem te werpen,   HOOFT, N.H. 1127 [c. 1645].
Zy, die overal rond loopen, om allerlei zeedeloos vuilis by een te schraapen, en optevisschen, moesten voor de as- en vulniskarren … geplaatst werden; als zynde gewoon, niets anders te doen, dan allerlei ontieg van de eene wyk der Stad in de andere te draagen,   WOLFF en DEKEN, Blank. 2, 282 [1787].
Eene verzameling van dartelheden en gemuskeerde parijsche vuilnis,   TEN BRINK, Schoonzoon 1, 92 [1872].
c.  Van taaluitingen: obscene taal, schuttingtaal.
Als gij eens een buitensingeltjen omwandelt …, let dan eens op die schutting aan de rechtehand, zij is zo ergerlijk met krijt en vuilnis beklad, tot groot nadeel der zeden en der reinheid,   WOLFF en DEKEN, Wildsch. 3, 5 [1793].
7.  Oneig., in toep. op pers. (en dieren) die worden vergeleken met afval, vuil. Als coll.: minderwaardig, verachtelijk, verderfelijk volk; gespuis, uitschot, uitvaagsel; als individuativum: verachtelijk, laag persoon.
a.  Oorspr. (?) in de bijb. verb. vuilnis der wereld, der aarde. In de eerste aanh. nog in fig. verb.
Wy zijn als vuylnisse der werelt ende alle mans verworpsel,   Bijbel v. Liesveldt, 1 Cor. 4 C [1526].
Dat de huisghenoten Godes, die haer bloed vergoten Hebben hier voor Christus' kruys, Niet en sijn … dan vullens van der aerd, Seghen noch memori waerd,   STALPERT V. D. W., Uitgel. D. 44 [1624].
b.  Vervolgens ook in het alg. taalgebr. en als scheldwoord.
— De Ketterijen trecken tot haer alle de vuylnisse die inde H. Kercke is, ende ver-wecken de waerachtige ende leuende lidt-maeten tot een Heyligheyt des leuens, ende tot een vlytigh ondersoecken der Goddelijcker Schrifturen,   REINERI, Verantw. 103 [1605].
Geen' tong zoo wel ter taal, die zoude kunnen uitspreeken, hoe bitter het den vroomen Vorste (Willem van Oranje) valt …, dat prieel des aardboodems zoo barbaarlyk verwoest, en tot een vat der uitheemsche vuylnisse gemaakt, te zien,   HOOFT, N.H. 248 [ed. 1642].
Dina Je bent … Kak-huizen en Sluizen zonder schut-deuren voor alle Modder-schuiten. Gloria Ik wou, dat jou de Duivel op 't Eiland Marken voer. Dina Ik bemoey my met geen vulnis, ik woon in een Asbak,   Gew. Weuwen. 3, 11 [1709].
—  In toep. op dieren bep.: ongedierte.
Ik las eens een geestelyk Vodje; ik meen het Harten Boekje; waarin onze lieven Heer … veegde, raagde en glazenwaschte; uit die harten rolde en viel een hoope vullis en ontuig, van Slangen, Vleermuizen, Rotten, Spinnekoppen,   WOLFF en DEKEN, Leev. 8, 270 [1785].
8.  (Veelal als coll.) Iets zonder waarde. W.g.
a.  In toep. op waardelooze, onbruikbare zaken: lorren, prullen, vodden.
Ik wil nog niet eens spreken van het vulles dat je hier brengt, van al de lorren die je de hemel weet waar van daan haalt, ouwe kleeren, gebroken stormhoeden en gescheurde laarzen — puur of je de voddemarkt hadt leêg gestolen,   V. LENNEP, Poët. 10, 188 [1848].
b.  In toep. op waardelooze, beuzelachtige uitingen: beuzelarij, onzin.
Dan (als iedereen de Heer kende) hadden wij noch Academiën, noch Professoren … in de Theologie noodig; geen catechizeerbroeders noch zusjes: … niemand zou kunnen pronken met schools vullis, of iedele spitsvinnigheden,   WOLFF en DEKEN, Wildsch. 5, 306 [1796].
—  Hierbij (?), in toep. op onverzorgd taalgebruik: fout tegen de spelling en/of de grammatica.
Hoe syn andere taelen tot dien trap van volmaektheyd gerocht, dat sy … onder de Geleerde van alle volkeren eenen heerlyken naem hebben? door de selve te lauteren van alle vuylnissen ende belacchelyke uytdrukkingen,   V. DAELE, Tydv. 25, 2 [1806].
Samenst. Als tweede lid b.v. in: huisvuilnis, straatvuilnis.
Als eerste lid in:
Vuilnisafvoer, vuilafvoer.
De toenemende geldelijke vorderingen van de pachters van den vuilnisafvoer,   Economist 1911, 1023 [1911].
Vuilnisarbeider, vuilnisman.
Vuilnisarbeiders zijn voortdurend aan gevaar voor hunne gezondheid blootgesteld,   in Economist 1911, 1012 [1911].
Vuilnisbak, bak, emmer waarin men (huis)vuil, as enz. verzamelt.
Colluuiarium … Een groote, oft vuylnis back, vuylnis cuyl, mesthoop,   JUNIUS, Nomencl. 415 a [1567].
— Een yder de wallen heeft, off kan becoomen zal zyn vullensback hebben en onderholden nyet gebrooken laeten leggen, ende daer in brengen haer asche sonder koelen oft vuyr … ende ander vulnissen en 't zelve doen leeghen,   Uit een instructie van de "opzigter van stadswerken" [Leeuw., 1591].
Hoe veel menschen Magen hebt ghy verandert in vuylnis ende Aes-Backen, om Honden, Katten, ende Paerde-vleesch daer in te doen verteeren?   V. HARINXMA, Quevedo's Ges. 171 [1641].
Suppletie van het mancqueerende ter betalinge voor het schoonmaken der vuylnisbacken en andere stads-onkosten,   N.-I. Plakaatb. 4, 427 [1738].
Waar dit wenschelijk geacht is of wordt, zijn en worden van wege de gemeente publieke sekreten, riolen en vuilnisbakken aangelegd,   Vriend Landm. 27, 456 [1863].
Toen moest Marie … de vuilnisbak buiten zetten voor den karreman,   SCHART.-ANT., Sprotje 2, 38 [1909].
Vuilnisbalie, vuilnisvat. Sinds lang veroud.
Voormiddaghs is verhaelde gedetineerde … met de boy aen 't been boven de poort vandaen weghgeraeckt, terwijl den geweldiger de vuylesbaly was weesen haelen,   V. RIEBEECK, Daghreg. 2, 429 [1658].
Dat de slaeven in allen deelen de melaetse ten dienste syn, daer en soo 't behoort, voornamentlyk aen soodanige miserabele, die niet in staet syn jetwes voor hun selven te konnen verrichten, derselver noodwendigheden aenbrengende, hunne wooningen schoon maekende en de vuylnis balyen uytdragende, ende wat des meer sy,   N.-I. Plakaatb. 3, 610 [1708].
Vuilnisbediende.
Boven de ordinaris geauthoriseerdens tot het doen van de bekeuringe, (werden) … mede daar toe geauthoriseert de Provoosten van de Aalmoesseniers, alle de Vulnis-Bedienten enz.,   Handv. v. Amst. 737 a [1695].
Vuilnisbeer, vuilnisman, aschboer. Sinds lang veroud. Zie ook Ts. 26, 80.
— Of ick schoon My by de grooten stel ten toon, So sackt mijn hert doch na der aerdt En schijnt bijna geen vulsbeer waerdt,   STARTER 532 [1624].
Vuilnisbelt, plaats waar het vuilnis verzameld wordt, vuilstortplaats.
— Een yder (zal) gehouden zyn de voorsz. Vulnis te brengen op de Vulnisbelten,   Keuren v. Haerlem 1, 197 b [1752].
De stank en de walgelijkheid der stof en de rook der vuilnisbelten in vroeger jaren zijn vooral de oorzaken geweest, waarom het publiek zóó op verwijdering ervan heeft aangedrongen,   Economist 1911, 1018 [1911].
Vuilnisberg. Alleen in wdb. aangetroffen.
Vullisberg. Voirie,   HALMA [1778].
Vuilnisberg. Grand amas d'ordures,   V.D. VELDE en SLEECKX [1861].
Vuilnisblik.
1°. Blik waarop men met een stoffer het vuil van den grond opveegt.
Vuilnisblik. Ordurier,   KRAMERS, Ned.-Fr. Wdb. [1862].
— Convooren …, Snuyters …, Vulnis-Blikjes … en al het geene verder tot de Keuken-Huyshouding gerequireerd word,   Keuren v. Haerlem 2, 176 b [1739].
2°. (Gewest. en barg.) Halve stuiver.
Vullisblik. Ook als schertsende naam voor een vierduitsstuk, bronzen 21/2-cent-stuk,   BOEKENOOGEN [1897].
— Heb uwe soms 'en paar vullisblikken voor me voor vijf centen?   BOEKENOOGEN [1897].
Vuilnisboer.
Vuilnisboer, vuilnisman die het huis- en straatvuil ophaalt en naar de vuilnisbelt brengt,   V. DALE [1898 ].
Vuilnisdienst, vuilophaaldienst.
De vuilnisdienst ressorteert onder het Departement van Openbare Werken en Verkeer,   Gouvernementsbl. v. Suriname 1912, n° 31, a. 2 [1912].
Uitgaven ten behoeve van den vuilnisdienst,   Hand. St.-Gener. 1912-'13, Tw. K., Bijl. 1.2, blz. 7 b [1912-'13].
Vuilnisemmer.
— Dat ze nu juist overhoop liggen met hiernaast over dien omgevallen vuilnisemmer,   SALOMONS, Meisje-stud. 97 [1920].
Vuilnisgat.
1°. Vies, onzindelijk oord.
Tot dat ik, in Madrid, ook schoenen had versleeten, In dat ontyge vuilnisgat,   SIX V. CHAND. 314 [1657].
2°. Gat, opening waarlangs vuilnis afgevoerd wordt.
Waarom men ook altijt behoorde zorg te dragen datze (regenbakken) niet te dicht ontrent Zekreten noch Vuilnisgaten geordineerd werden,   GOEREE, Bouwk. 161 [1681].
Vuilnisgoot, afvoergoot voor vuilnis.
De bezorging der Vuilnis-gooten, was onder de Romeinen een aanzienelijke bediening,   GOEREE, Bouwk. 104 [1681].
In de plaats van Goddelyk of Heilig te heeten (zooals in het oude Egypte), waren ze (onze rivieren) maar geagt als Vuilnis-gooten, waar in elk mogt morsen zo als het hem behaagde,   VELSEN, Rivierk. Verh. V [1768].
Vuilnishaler, vuilnisman.
De gebuyren van de Gouwe clagen dat de vuylnishaelder een vuylnishoop maect aen de St. Joostbrugge,   bij BIK, Medisch Lev. 426 [1615].
Tot welcken eynde de voorsz. vuylnis-haelders de gemeente van hare komste verwittigen sullen met het geluyt van een ratel,   Keuren v. Leyden 25 [ed. 1658].
Vuilnishoek, vuilstortplaats, vuilnisbelt.
Vullishoek, décharge,   AGRON en LANDRÉ [c. 1813].
— Die midden in den hof van Eden stond, De vuilnishoek, ziedaar zijn erf en grond,   BEETS 5, 2, 146 [c. 1891].
Vuilnishok.
— De (suiker)vormen … worden in eene mand bij een geworpen en naar buiten naar een vuilnishok gebragt, waar dezelven met ander ontuig … van stadswegen worden weg gehaald,   Handw. 11, 191 [1793].
Vuilnishoop, hoop, berg met gestort vuilnis; vuilnisbelt.
In den eersten en sal men geene misse-, noch vuylnishopen … mogen leggen aen wedersijden van de straeten,   bij BIK, Medisch Lev. 427 [1599].
Overwogen zijnde hoe enige deser ingesetenen … hun niet ontsien … de straten met vuijlnis-hoopen te belemmeren, en andere ongeregeldheden te plegen,   Kaapse Plakkaatb. 1, 279 [1693].
Wanneer hy een dronken Bedelaar ziet leggen slapen op een vuilnishoop,   Philanthrope 4, 303 [1760].
Valt het daarstellen van een drek- en vuilnishoop, zonder verkregen toestemming van het plaatselijk bestuur, in de termen van de artt. 3 en 7?   Weekbl. v.h. Regt 6 Sept. 1852, 1 b [1852].
Daar sjouwt hij een vollen emmer met oude papieren, naar den vuilnishoop aan de overzijde,   LIGTHART, Opvoeding 1, 13 [1907].
Ook oneig. in toep. op pers. en zaken.
Joffers al weer, je sout verckens seggen, dat sou beter met haer natuer over een komen … Die ritsche Schans-teven …, die Druyp-kousen, dien Vullis-hoop!   Kl. v.d. Pasquilm. 11 [1674].
Opmerkelijk, dat de studenten in de "rechten" dan krom lagen, de wiskundigen miskundig werden, philosophie een "vulleshoopie" werd en de letterkundigen geen letter fatsoenlijk konden spellen,   KOKADORIS, Amstelv. 18 [1909].
Vuilniskar (zie ald.).
Vuilniskrib, (waterb.) krib in een rivier, gemaakt met puin, afval e.d.
Hiermede sal cesseren de voorgaende keure bij den hooge heemraden up te platingen ende vuillens crebben up te voorsegde watertochten gemaect,   Rechtsbr. Hoofdwatersch. Z.-Holl. 207 [1570].
Vuilniskuil, kuil waarin vuilnis verzameld wordt.
— Dat een ygelijck sijn straet voir sijn huysen schoen maect ende brengt die vuylnes op een hoop ofte in de vuylenskuylen,   Rechtsbr. v. Gouda 326 [1514].
De aannemer van het snoeien zal de takken en bladeren voor zijn eigen rekening moeten wegbrengen, niet op de "vulliskuijl", noch in de sloot werpen,   Historia 9, 278 b [aangeh. woord 1753].
Vuilnisman, pers. die (als beroep) vuilnis ophaalt en naar de vuilnisbelt brengt; vuilophaler.
Sal … niemandt eenigh Slijck ofte Vuylnis, in de Stede Havens ofte Wateringe … mogen werpen ofte vegen … In cas van ooghluyckinge ofte gheen oppassinge, sal den Substituyt, Dienaers ofte Vullens-man, werden gecasseert,   Handtv. v. Ench. 388 a [1603].
Een vulliswagentje … dat door de vullisman met een hennipzeel om 't lijf … wierd voortgetrokken,   bij OLDEWELT, Amst. Archiefv. 152 [1694].
De Karreman of Vulnisman zal zyn gehouden … alle Middagen, als de Markt gedaan is …, al 't Grom te voeren ter plaatse daar toe geordonneerd,   Keuren v. Haerlem 1, 157 a [1750].
Zulke zedelyke Asbeeren en vuilnismannen (kwaadsprekers) loopen en kruissen de stad rond, om al zulk ontuig opteschraapen en te brengen by ieder die smaak heeft in zulke walgelyke modder en onreinheid,   WOLFF en DEKEN, Blank. 3, 245 [1789].
De haai is … de vuilnisman der zee. Alles wordt opgeslokt …, alleen levende prooi wordt zelden genomen,   Natuur en Vernuft 2, 225 a [1916].
Geef … geen vuil, afgedankt waschgoed, verbanden, enz. (van zieken) mede aan een vuilnisman,   SUYVER-LANDRÉ, Beh. d. Wasch 4 [1918].
Vuilnisnest, vuilnishoop. Ook oneig.
Een ijder deser ingesetenen sal d' morskuijlen vuijlnis nesten, en misthoopen voor sijn huijs weghmaken op paene van enz.   , Kaapse Plakkaatb. 1, 229 [1687].
De Kisten (plunjekisten v.h. scheepsvolk) moeten alle weeken nagezien worden, op dat dezelve geen vulnisnesten mogen zyn,   Instructies O.-I. C. 13, 2 [c. 1700].
Wie heeft u dat Reine herte gegeven? Is het niet een vry geschenk van God? en heeft die 'er niet een nieuwe Schepping, een Almagtige hand aan te kost geleid? en dat aan u te doen; zulk een vulnis-nest van zondelyke Onreinheid?   HELLENBROEK, Byb. Keurst. 2, 139 [1734].
Vuilnisopruiming.
Als het beste voorbeeld van het hier bestaande voor een groote stad … kunnen wij de vuilnisopruiming te Amsterdam nemen,   Economist 1911, 1105 [1911].
Vuilnispraam. Zie Dl. XII, 3791.
Vuilnisprauw, prauw waarmee vuilnis opgehaald en vervoerd wordt; vuilnisschuit.
Dat de gooten of rioolen … moeten worden schoon gemaakt en gezuiverd, mitsgaders de modder en andere vuiligheid in de daar toe geschikte vuilnis praauwen gebragt,   N.-I. Plakaatb. 8, 584 [1769].
Schepenen werden door de Regering gemagtigd "tot het vermeerderen van het getal der vuilnis prauwen, dienende tot het wegbrengen der grove vuilnis, van 17 tot 22 stux",   10, 186 [1778].
Vuilnisput.
1°. Vuilniskuil.
— Zoo wie bevonden zal werden drec of vuilnis uyt schoongemaakte privaten geworpen of geloost te hebben, 't zi in de wateren, in de vuilnisputten of yewerts elders dan buyten 't stadt op 't lant daar men die begeert, die zal enz.   , Leidsch Jaarb. 33, 160 [1583].
Hier mede (wert) niemants vryheyt benomen, om op sijn eygen erve … particuliere vuylnis-putten te maecken, ende daer inne te vergaderen sijn eygen assche ende vuylnisse,   Keuren v. Leyden 27 [ed. 1658].
Op elke gracht of straat, schijnt eene algemeene vuilnis-put te hebben bestaan, waarin elk zijn asch of vuilnis nederwierp,   V.D. PAAUW, Verversch. 160 [1828].
2°. (Gewest.) Zinkput, drekput.
Vuilnisraper, vuilnisman, vuilophaler.
— H.J.V. landtmr. betaelt 19 ponden voor vacatien bij hem verdient int offmeten van de plaetsen daer men de vulnisrapers soude reguleren,   in Arch. Ned. Kunstgesch. 2, 249 [Utrecht, 1631].
Koster, noch portier, … Noch yemand die in eed of dienst was van de Stad (Tot vullens-raepers toe),   WESTERBAEN, Kranckentroost 3 [1663].
Vuilnisschip, vuilnisschuit.
Sy (de vrouw) is gelijk een Schip …: Als een Koopmans Schip Niet een Vuylnis-Schip, een Schuyt daer Modder, Bagger, Assche, Mist, Straet-slick, ende anderen dreck inne versamelt wordt,   SPRANKHUISEN 1, 145 a [1634].
De Meesteren van de Huys-armen deser Stede … sullen ghehouden zijn … door alle de wateren deser Stede … met ghenoeghsaem ghetal van vuylnis-schepen, te doen drijven, vletten ofte varen,   Keuren v. Leyden 25 [ed. 1658].
Vuilnisschipper.
De modder van riolen en grachten, onvermengd met vuilnis, is ook zeer bij de vuilnisschippers in trek,   Economist 1911, 1107 [1911].
Vuilnisschop. Alleen in wdb.
Vuilnisschuit (zie ald.).
Vuilnisspreker, (gewest.) vuilbek.
Vuilnisstoep, (Gron.) bep. ruimte waar vuilnis verzameld wordt.
— De opgehaalde vuilnis van allerlei aard wordt verzameld op eene daartoe ingerigte, omheinde, zeer ruime plaats, genaamd de Vuilnisstoep, waar al het bijeengebragte wordt verwerkt, tot eene zeer deugdelijke mest,   Landbouw-cour. 1863, 161 c [1863].
De vuilnisstoep is geheel bestraat. De voor de mesthoopen bestemde gedeelten zijn als het ware kommen van eene aanmerkelijke uitgestrektheid, diep ongeveer 56 duimen,   1863, 162 a [1863].
Geene schepen of houtvlotten zullen door paarden mogen worden getrokken van af de invaart naar de stedelijke vuilnisstoep bij de bonte brug te Groningen tot aan den beer bij het Kleine poortje aldaar,   Bijv. Stbl. 1867, blz. 125 [1867].
Vuilnisstoffen.
Een hoop vuilnis …, bestaande uit mest, asch, privé en andere vuilnisstoffen,   Weekbl. v.h. Regt 8 Oct. 1857, 1 a [1857].
Van wege de gemeente (zijn en worden) publieke sekreten, riolen en vuilnisbakken aangelegd, welke eene groote vermeerdering van vuilnisstoffen tengevolge hebben gehad,   Vriend Landm. 27, 456 [1863].
Indien onder de andere voorwerpen van art. 20 vuilnisstoffen begrepen kunnen worden, dan is het werpen daarvan op de straat bij art. 21 niet absoluut verboden,   Weekbl. v.h. Regt 13 Jan. 1879, 3 b [1879].
Vuilniston.
Wert … verboden … eenighe Wijn-vaetjens, den Wijn-verkoopers toekomende …, te gebruycken tot asch ofte vuylnis-tonnen,   Keuren v. Leyden 245 [ed. 1658].
Een vuylnis tonneken (op een boedellijst),   bij WEYNS, Volkshuisr. 1401 a [1691].
Vuilnistrog.
Sal … een yegelijck alle Saterdagen … sijne gote voor sijn huys ende werven reynigen ofte doen reynighen van Slijck ofte Vuylnisse …, ende de vuyligheyt daer uyt komende te brengen in de Vullens-trogh,   Handtv. v. Ench. 389 a [1603].
Vuilnisvaartuig, vuilnisschuit.
Alzoo een ygelyk … gewaarschouwt is deselve ("vuyligheyt") in huys te behouden, tot dat de vuylnis-vaartuygen des morgens komen te vaaren,   N.-I. Plakaatb. 5, 534 [1747].
Vuilnisvat (zie ald.).
Vuilnisverbranding, vuilverbranding.
— In de voordracht van Dr. D. … over "De vuilnisverbranding", maakt deze melding van de verwerking van huisvuilnis in gebruik te Manchester,   Economist 1909, 877 [1909].
Vuilnisvoerder.
D' ordinaris vuylnis-voerders van het quartier, vindende eenige misse op de publijcque straten ofte platingen leggende …, (sullen) de selve misse vry ende sonder tegen-seggen t' haren behoeve mogen wegh halen,   Keuren v. Leyden 27 [ed. 1658].
Vuilniswagen.
Een vulliswagentje op twee raderen,   bij OLDEWELT, Amst. Archiefv. 152 [1694].
Het Hert dat door de wereld gaat, Met lust van Werelds welbehaagen, En zo voor 't Quaaden open staat, Dat is, gelyk een Vuilis wagen,   LUYKEN, Onw. W. 165 [1710].
Een vuilniswagen komt aan. Onder een afdak wordt hij geledigd op een platbodem wagon op rails,   Economist 1911, 1112 [1911].
Vuilniszijp, vuilniskuil, drekkuil; ook: riool.
Vuilniszyp. Rioel. Cloaque,   HALMA [1710].
— By aldien het in de bloei-tijd der Roomse Mogentheid een aansienelijk Ampt was, slegts een Bouwmeester of Versorger over de Riolen en vuilniszijpen gestelt te zijn,   GOEREE, Bouwk. † 5 r° [1681].
De verderfelyke gewoonte van de algemeene en byzondere rioolen, vuilniszypen, en gemakken in de gragten te leiden,   Verh. Holl. Maatsch. Weet. 18, 358 [1778].

Aanvulling bij VUILNIS

Samenst. Vuilnisauto. Zie voor nog een voorb. vuiltransport onder +VUIL (II), Samenst.
— Mag men verlangen dat de stadsreiniging geregeld de trottoirs veegt in een straatje waar de vuilnisauto's niet eens kunnen keeren?   PHILIPS, Bruiloft in Europa3 4 [1934].
Vuilnisbak, hierbij: Vuilnisbakkenras, onbestemde soort, inz. van honden, die niet tot een bep. ras behoort. In de derde aanh. fig. als scheldnaam voor een niet proper geacht persoon.
— Vóór hen is walvis, achter hen … een hond op een schots. Een ouwe hond met één oog. Vullisbakkenras,   FENAND V.D. OEVER, Moeder 160 [1952].
Ze was op een morgen ijverig aan het matjes kloppen geweest toen haar benedenbuur plotseling hardop in de tuin had geroepen: ”Je kan goed zien dat het vuilnisbakkenras weer thuis is, die vieze klodder!”   N. Utr. Dagbl. 14 Aug. 1956, 6 c.
Vuilnisophaaldienst.
Het is vandaag de dag van de vuilnisophaaldienst,   HAASSE, Zelfportret 56 [1954].
Vuilnisophaler.
Stof geeft bij molenaars, bakkers …, vuilnisophalers enz. conjunctivitis en blepharitis,   Praev. Geneesk. 2, 376 [1938].
Van de As- en Vuilnis ophaalders te Koog aan de Zaan zijn nog Nieuwjaarwensen bewaard voor de jaren 1865, 1867 en 1873,   Zaende 3, 7 [1948].
Vuilniszak.
Vuilniszak, zak voor huisvuil,   V. DALE [1976].
— Om in de toekomst weg te weten, mevrouw, met de inhoud van uw vuilnisemmer of vuilniszak, heeft in onze streek een aantal mensen de laatste jaren heel wat gepiekerd, gereisd, gediscussieerd en wit papier zwart gemaakt,   Dagbl. Zaanstreek 20 Jan. 1972.
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1986.
http://gtb.inl.nl/iWDB/search?actie=article&wdb=WNT&id=M083049 
afb. via google afbeeldingen