Insoliede werken, fractografie van glas, glazen vrienden
beëtst door de jaren. Van amateur tot amateur, emissies van woord en woorden,
breekbare maten voor wat in vriendschap onmeetbaar is. Letters als Ha en Em,
Zet en Vee, gelaten en niet daargelaten, onwillekeurig uit het alfabet gelicht.
Nietlieneair, don’t lien on me, of net wel: ik wil je steunen. Ook die borst waarvan je tussen neus en
lippen even zegt: ze is niet meer. Heel. Hoe dit hercreëren, elke dag, het
missen, het helen. Ik zit daar als een aangewaaide nomade. En later vormen mijn handen vormen, figuren
op papier. Hier, hier vul ik aan wat weggesneden, weggesmeten onbestaand nog
is. Ontken ik, negocieer, jeremieer, vloek en leg me neer. Effeciënt is het
niet. Effectief? Andermaal investigeer ik wat onuitgesproken ruist. Een pond
vlees, een omvattend handboek bestaat toch niet? Ik bevries. Is jij oké, ik is
niet. Het spiegelt om jouw terloopsheid en mijn bevroren blik. Het lege blaten
over werk en kinderen en moeders die de liefde hinderen en hoe iets bij mij
gekenterd is en hoe jij nooit zegt en nooit plots mogelijk maar meetbaar wordt
aan wat weggesneden is. Fifty ways to leave: door de achterdeur, met de stille
trom, ongehoord, ongeweten... En ik roep bijna schril: je hebt me niet eens
gemaild. Een paar steken hebben het vlees genaaid, maar de wonde blijft open. Zo
brutaal en straks een radiostraal, de tijgertand van het westen, west weet best.