woensdag 31 december 2008

dinsdag 30 december 2008

onvermengd


Je puzzelt wat met levend doek - trefzeker de lijnen - terwijl je geur als handen rond me zweeft.
Naar het barsten van de bes tussen weer barstige lippen smaken je slagen: zoet, zuur, zacht en bijtend. Een tong met weerhaken doorploegt vel en vrucht. Weggebeten morzels afgescheurd vlees. Je likt je kaken en je neus.

Mahonie kijk je in mijn leegte en lacht om de onzekerheid van hoge hielen bij het hondje aan de lijn, de tevende beef, het object...
Ineengekruld van kou, de vuisten vechtklaar dicht en dan ontspannen.

Een god krijgt een hosanna en dan een weg met jou.
En god ben je niet.
Je schuine blik kijkt onvermengd.
(F)in-esse.

Blijf?


(in de reeks god-dog)

maandag 29 december 2008

zaterdag 27 december 2008

begin

Het begon. Met woorden.
Kijken als een raken,
noli me tangere. Hoezeer dan niet de klank die
blauwe plekken maakt,
de beurse huid van kinderen vormt, hun schedels kraakt
en maakt tot scherpe hoeken.

Aan je oogkas wil ik hangen,
me snijden aan je kaak.

hymne

Amour qui voles dans les nues,
Baisers blancs, fuyant sur l'azur,
Et qui palpites dans les mues,
Au nid sourd des forêts émues ;

Qui cours aux fentes des vieux murs,
Dans la mer qui de joie écume,
Au flanc des navires, et sur
Les grandes voiles de lin pur ;

Amour sommeillant sur la plume
Des aigles et des traversins,
Que clame la sibylle à Cume,
Amour qui chantes sur l'enclume ;

Amour qui rêves sur les seins
De Lucrèce et de Messaline,
Noir dans les yeux des assassins,
Rouge aux lèvres des spadassins ;

Amour riant à la babine
Des dogues noirs et des taureaux,
Au bout de la patte féline
Et de la rime féminine ;

Amour qu'on noie au fond des brocs
Ou qu'on reporte sur la lune,
Cher aux galons des caporaux,
Doux aux guenilles des marauds ;

Aveugle qui suis la fortune,
Menteur naïf dont les leçons
Enflamment, dans l'ombre opportune,
L'oreille rose de la brune ;

Amour bu par les nourrissons
Aux boutons sombres des Normandes ;
Amour des ducs et des maçons,
Vieil amour des jeunes chansons ;

Amour qui pleures sur les brandes
Avec l'angélus du matin,
Sur les steppes et sur les landes
Et sur les polders des Hollandes ;

Amour qui voles du hautain
Et froid sourire des poètes
Aux yeux des filles dont le teint
Semble de fleur et de satin ;

Qui vas, sous le ciel des prophètes,
Du chêne biblique au palmier,
De la reine aux anachorètes,
Du coeur de l'homme au coeur des bêtes ;

De la tourterelle au ramier,
Du valet à la demoiselle,
Des doigts du chimiste à l'herbier,
De la prière au bénitier ;

Du prêtre à l'hérétique belle,
D'Abel à Caïn réprouvé ;
Amour, tu mêles sous ton aile
Toute la vie universelle !

Mais, ô vous qui m'avez trouvé,
Moi, pauvre pécheur que Dieu pousse
Diseur de Pater et d'Ave,
Sans oreiller que le pavé,

Votre présence me soit douce.

Germain Nouveau - Poésies d'Humilis

dinsdag 23 december 2008

zondag 21 december 2008

bloemen


Het breken van het licht in je opake in-dividu, dat is en is en is en niet. Ver. Het breken ja. Van het mijne. Het breken van mijn lijf, van mijn vel onder je bovenhandse, het zwellen van huid waar we raken, waar je woorden striemen schrijven, waar je zwijgen kraters (s)laat, als bloemen: een lei.

Spuwend bloed van mijn ogen. Ik ben een natte postzegel zonder brief. Ik kom (niet) aan.

Sluipwegen van ondergronds verzet geschraagd door afgedwongen vertrouwen, hoe onbekend. Hoe duidelijk nu de Andere kant. Zichtbaar (weer) de blote buizen. Van het huis het huis het huis. sodade de nomadentent.
Het is bloed dat vloeit zelfs waar de doorgang enger wordt, het is bloed dat zich naar buiten perst en valt. Voor je voeten. Onder je hand is de plek die ik zoek, tussen de gaten van hier en daar. Waar overgave geen vernedering is en geloven geen religie.

Aankomen schuilt in de ruptuur. Intenser kan haast niet.
En toch. Ik mis je vel.

zaterdag 20 december 2008

secre(e)t

Gruß vom Angelus


IX
Mein Flügel ist zum Schwung bereit,
ich kehrte gern zurück,
denn blieb ich auch lebendige Zeit,
ich hätte wenig Glück.

—Gerhard Scholem, “Gruss vom Angelus”
Es gibt ein Bild von Klee, das Angelus Novus heißt. Ein Engel ist darauf dargestellt, der aussieht, als wäre er im Begriff, sich von etwas zu entfernen, worauf er starrt. Seine Augen sind aufgerissen, sein Mund steht offen und seine Flügel sind ausgespannt. Der Engel der Geschichte muß so aussehen. Er hat das Antlitz der Vergangenheit zugewendet. Wo eine Kette von Begebenheiten vor uns erscheint, da sieht er eine einzige Katastrophe, die unablässig Trümmer auf Trümmer häuft und sie ihm vor die Füße schleudert. Er möchte wohl verweilen, die Toten wecken und das Zerschlagene zusammenfügen. Aber ein Sturm weht vom Paradiese her, der sich in seinen Flügeln verfangen hat und so stark ist, daß der Engel sie nicht mehr schließen kann.
Dieser Sturm treibt ihn unaufhaltsam in die Zukunft, der er den Rücken kehrt, während der Trümmerhaufen vor ihm zum Himmel wächst. Das, was wir den Fortschritt nennen, ist dieser Sturm.

Walter Benjamin - Über den Begriff der Geschichte - 1939

donderdag 18 december 2008

where does a wise man...?


... een huis....
Ik denk vensters als schilderijen en okergele muren. Tegelvloer van vroeger en zichtbare buizen. Stenen dorpels, misschien een soort arduin. Of andere steen. Ik weet het niet. Struiken, gras, grond, rotzooi, slijk. Werk. Vooral veel werk. En je handen daartussen. Je hoofd, je haar en je gedachten... waar?
Het huis is het huis is het huis...

Ik kijk naar je en je weet het niet, ik veeg over je wang, steek in je rug als het zwaar is en trek aan je schoenen die zompen in de grond. Ik kruip onder je nagels en in de ochtendstijfheid van je spieren. Onder het wassende water ben ik het die inslaat. Op je schouders, je borst, je buik, je billen, je schrale lijf, je geslacht. Ik neem je vast. Daar. Met bijtende tanden van kou of zuigende warmte. Je zal me voelen.

Ik ben de takken die gemeen tegen je benen zwiepen, de doorn in het vlees van je hand, vruchten en bladrot voor je uitgestrooid, waar éénwortelig de twee bomen...
Ik ben de maan die je bekijkt in je slaap, die je wenkbrauwen streelt en je adem vangt voor de storm van morgen als ik zon word en wolken en een aanwakkerende wind. Als ik storm en tij(d) zal zijn van gisteren dat een geheugen heeft en morgen dat er niet mee vecht. En de dag van de dag van de dag.
Ik zal de ... zijn, met je vingers tussen mijn oren.

Ik hef een poot en pis tegen je laars.
Tenminste zal je warme voeten hebben.

(in reeks: foto door het raam... )

dinsdag 16 december 2008

Barking

Gelassenheit hangt deze dagen als een erts in mijn strot, mijn keel zowaar wat rauw door ongepolijste klanken. Ingedikte woorden van wachten en verlangen - ik wil ze niet wegslikken - liggen als taaislijm tegen mijn gehemelte.
Zwijgend lengen ze de ondergrondse leegte. Niets willen, zei hij.
Ik blink mijn tanden.

Het speleologisch geheugen, zonder de zekerheid...
Ik ken de diepte niet van een vrije val noch de ruimte van de balzaal waar Genot betekend wordt. Ik sta in de weg.

Achter mijn ogen leen ik herberg aan een kapitaal van hoop.
Verwachting is stil geboren. Geen vroedende hand geeft ze bedding, er is alleen het koor dat huilt. Horen doe ik het niet meer.

Hondenvoeten betasten grond om je te vinden, het spoor van mettertijd dat je zette voor de teef.
Het spreidt zich schaamteloos voor je ogen. Onsterfelijk. Stervensbereid.
Blaffend naar dezelfde maan.

The moon comes up.
The moon goes down.
This is to inform you
that I didn’t die young.
Age swept past me
but I caught up.
Spring has begun here and each day
brings new birds up from Mexico.
Yesterday I got a call from the outside
world but I said no in thunder.
I was a dog on a short chain
and now there’s no chain.

by Jim Harrison Source: Poetry (September 2008)

intermezzo of niet


Here comes the ghost who made me, the ax still in his skull. Keep your hat on, I know you've got one hole too many. I would my mother had one less when you were still of flesh: I would have been spared myself. Women should be sewed up - a world without mothers. We could butcher each other in peace and quiet, and with some confidence, if life gets too long for us or our throats too tight for our screams. What do you want of me? Is one state-funeral not enough for you? You old sponger. Is there no blood on your shoes? What's your corpse to me? Be glad the handle is sticking out, maybe you'll go to heaven. What are you waiting for? All the cocks have been butchered. Tomorrow morning has been cancelled.
Heiner Müller: Hamletmaschine

zondag 14 december 2008

novice


zo zal het dan zijn
een abnormaliteit met kleren
en het schillen -
trage pellen van een huid -
de val van duizend vellen
wapens die ik draag tot ik weer voor je sta
gehavend naakt met stijve tepels en je hand
die treft en streelt
het kijken
blijven kijken

een-malig neen
dat tevergeefs - gelukkig - klinkt
niet klinkt derhalve
dus
de naaktheid van het lijf in al zijn gulzigheid
terwijl het vocht niet luistert
en rafels mengen met
het slaande dier. Fragmenten vallen.
je raapt ze op en zegt: "nu schrijf
van vernedering en pijn!"
ik heb gefaald ik vrees: het was al te puur.

zo ben ik het dan weer: het probleem met kleren
abnormaliteit, woorden als een staartkomeet
projectielgespuwd
in leegte
de gaten die je sloeg in
je aanwezigheid
gemis
je openheid, het zullen komen mettertijd,
de tweede wijding... lang verbijd.

dit lichaam blijft slechts bij elkaar
in tijd

slagwerk



sla!

zaterdag 13 december 2008

pas(t) comme les autres ?

Dag god,
Het spijt me geen cent dat ik niet pas, dat de zoetigheid er niet van af druipt, dat ik buiten de confectie val.
Eigenlijk veronderstel ik dat het jou ook niet spijt. Er zijn genoeg lievevrouwkes in de wereld.

sososo-dade
Immer weiter.

donderdag 11 december 2008

woensdag 10 december 2008

beelden

eeuwig was ik bij je en huilde eindig.
het kind tot hond had je gesculpteerd, je streelde door zijn vacht van vlees.
lelletjes, ontelbaar schunnig.
je keek.
hoe het op vier poten onder een haag van mannenhanden ging, betast en blootgesteld.
je was er zozeer. ik zag je gezicht, zonder baard en zonder snor, met al de lijnen zichtbaar. porno.
je was er en.
ik raakte je aan en hield.
elke rij waarin ik sta is (de) marge.
het schilde-rij op dweil.
de leegte, de mannen- en de vrouwenhand.
de porno kreeg ik niet uitgezet.
de leenmoeder op de achtergrond.
achteloos jij. puur.
het ging door. je naam was ontwerper. thomas stonehenge schreef je op een duur paar sokken.
je keek me aan. je bleef kijken ook nadat je niet me meer (be)zag.
je lijf was warm. de openingen van mijn lichaam kenden je.
ik vroeg me af of een man schrik heeft om zijn penis te verliezen.
in een vrouw.
streel me dan.

zaterdag 6 december 2008

vrijdag 5 december 2008

ja


Der siebente Psalm

1.
Ich weiß es, Geliebte: jetzt fallen mir die Haare aus vom wüsten Leben, und ich muß auf den Steinen liegen. Ihr seht mich trinken den billigsten Schnaps, und ich gehe bloß im Wind.

2.
Aber es gab eine Zeit, Geliebte, wo ich rein war.

3.
Ich hatte eine Frau, die war stärker als ich, wie das Gras stärker ist als der Stier: es richtet sich wieder auf.

4.
Sie sah, daß ich böse war, und liebte mich.

5.
Sie fragte nicht, wohin der Weg ging, der ihr Weg war, und vielleicht ging er hinunter. Als sie mir ihren Leib gab, sagte sie: Das ist alles. Und es wurde mein Leib.

6.
Jetzt ist sie nirgends mehr, sie verschwand wie die Wolke, wenn es geregnet hat, ich ließ sie, und sie fiel abwärts, denn dies war ihr Weg.

7.
Aber nachts, zuweilen, wenn ihr mich trinken seht, sehe ich ihr Gesicht, bleich im Wind, stark und mir zugewandt, und ich verbeuge mich in den Wind.

Bertolt Brecht (1920)

donderdag 4 december 2008

geen kus


bezonken met bloed
in billen van kilte
lees ik je lippen
dicht
open
ze in denkbaarheid
verklaar en zeg: dit is geen kus

mijn ogen vloeien
als een hand in je schoot
Wat blijft
is
wimpers op de zuurstof
die je geeft

ik adem
in het proberen.


"Console-toi, tu ne me chercherais pas si tu ne m'avais trouvé".
Henri Bergson

dinsdag 2 december 2008

(niet) bekeken II


image source
Hoe de grijze gargouille de stenen klauwen aardt, wortels grondt en waterkruipt als vleesgeworden zinnen, veelarmig rond de buik. In het lichaam klimmen. Mmmmmmm... Er bloeien bloemen in mijn bekken, het darmbeen rood gekleurd, een fleur de lys voor anker met geen weg terug.

Daar is het beeld dat ik bekijk en anders dan het mijne altijd reflecteert het.
Het mijne.
Ik was.
Elders ben ik niet meer, word ik gewist. Traag is de verwachte beweging. Concentrische kringen , zoekend naar de eenheidsworst, de grote gemene deler.

Daar, daar en daar op lege plekken, het negatief nog vaag, een karrenspoor op een stenen weg... is nog mijn ijlste stof. Mijn grapevine-rustplaats op een blik of in de natte dweil.
Van stof ben ik, van stof zijt gij...

Vrij. Hoog. Hoog de wervelwind.
Ik spreid en spreid en spreid, voor jou.
Tsss, dacht je van niet meer?
Wrong, my dier.


zaterdag 29 november 2008

de toestand van een dame...

Un état d'âme n'est pas arithmétiquement égal à la somme de ses éléments
(V. Jankélévitch)

vrijdag 28 november 2008

gerookt vlees


go- is een i-ee.
toen ik -eze week zocht - i-olologie bij Renouvier, -ie -oor Jankélévitch wor-t aangehaal- - von- ik - tja- : hersenschimmen, afgo-en... -at soort woor-en.

etymologie: i-ee, i-ool, i-olologie, ij-el, ijl.
ik -oe niet -e moeite om (-e verwantschap) te zoeken. Het gaat om habal.

-at ik je al- mijn go- zie?
in hoeverre ben je een her-en-chim - iet- leeg-? In hoeverre ben je -ie men- van vlee- en bloe-, een Men-ch, maar ook een jongen. Nukkig, onver-chillig, kwaa-, impul-ief, geil, zinnelijk. Man, keuze, verantwoor-elijkhei-,...? En -at ertu--enin: -e -hifter, (met) het in-trument.

ik ken je -lag.

aan -ie -lag hing een han-, -e wer-er...
een han- -ie me aanraakte, -enetreer-e, aan mijn te-el- trok, me -treel-e. aan -ie han- hing toch nog altij- -e wer-er.
een -tem -ie vertel-e, over -ingen -ie ik -a- later zou begrij-en. Aan -e -tem hing een man. Toch?
ik heb me -aar geen rook ingebeel-, geen go- beken-. Ik heb je gevoel-, gehoor-, geroken, gezien.
go- of hon-...

waa- -ook i- i- vuu-.
b-an- me maa-, ve--ch-oei me -an.
Ceci e-t mon co---.

gezond gedicht

Kimwil kiwäch,
kinterene’j ruk’ ri nub’oq’och
k’a pa jawi’ kak’is wi ri utzam bätz
ri kuya ri nub’oqoch chike.

Kinrayij kinb’an tz’ikin,
kinrapinik, kinrapinik, kinrapinik
xuquje’ kimb’ixonik,
kimb’ixonik, kimb’ixonik.
Sib’alaj utz kina’o kinb’an ri nukis
puwi’ kib’ oxib’ sutaq’
xuquje’ nikyaj sutaq chik.

Humberto Ak'abal

The birds
sing in full flight
and in full flight they shit.

I stare at them,
and my gaze follows
until the string
my vision has given them ends.

How I would like to be a bird
and fly, fly, fly
and sing, sing, sing
and shit-with pleasure
on some people
and some
things!

donderdag 27 november 2008

hoe?

Dieu,
Chien,

Hoe zou het woord beter dan het zwijgen kunnen bodem geven aan het alluvium van de ontelbare rijkheid gezien daarvan de continue instroom aanwezig blijft in de diepste ruimteloze mega-zijnen, niet als bevroren sediment maar als loer én verrijkend de ondergrond, durend, te nemen naargelang de tijd, te herkleuren, te herschikken, te re-creëren.

garde(n)
manger

dinsdag 25 november 2008

uqhoqhoqho

simplicité


Staren.
Dit beeld: je landschap dat me bedreigt met zijn oeverloosheid, zijn onverwachte vlakten en eindeloze zwijgen, waar ik strand op steen ter hoogte van je borst en open wonden die spreken nog/ch luisteren, elk met een eigen gezicht. Een processie trekt voorbij, nagels, schakels en ontzenuwde gebaren. Ik heb mijn schutkleur uitgekleed. Referentieloos.
Draag ik dit lichaam nog als taal die jij niet leest of zijn mijn woorden te veel vlees?
Je schiet...

Leg je woorden af, zei je, maar mijn mond was klein. Ik zou hoe dan ook wel zwijgen.
Het verhaal was één geheel, een mantel met rood en purper, je hieuw marmer uit fluweel. Hoe het groeide, ontgroeide aan mijn huid, terwijl zinnen verzengd herleefden, hoe vezel na vezel viel. Een beeld, nietszeggend. Te veel. Travestie van een noodzakelijkheid? Neen, zo niet. Een over-komen, een golven, een geheel, dat van eenvoud slechts terugwaarts ontrafeld wordt in zijn complexiteit.

Zo gestild taal je niet meer naar mij. De gouden prijs van zwijgen stijgt evenredig met het volle spreken.
Je leest en lezen blijf je mij, met je derde oog.
Dit, deze vrucht, geschild.
Ruptuur, onderhuids betekend.

zondag 23 november 2008

zaterdag 22 november 2008

abiogenese II


gespreid ontbot tot niemendal
en open in de benen
wacht ik
op huid met ogen
die me zoekt terug en
weer
het leer dat kijkt
zonder meer en
zonder kleren slechts
het donker in mijn blik dat kleedt
want
waar je me ook ziet daar
raak je
mij tenzij je het
vermijdt om echt te kijken

ik pleng mijn bloed
en vezels in je handen
ben ik niets
het wonder dat geschiedt
als niets me voeding geeft
als niets het vlees doet leven:
abiogenese

woensdag 19 november 2008

web


"Veradem maar eens. Nadien bezie je het vast, zoals het hoort: ontspannen."

a


Landloos, eindeloos dwalen en ik wil -
ik wil begrensd onder je handen, de ruimte van je grenzenloze gebaar, mijn vorm terug vinden.
Verlaten dus waar gras het huis bedekt, de deur, de open ramen...
En toch de vormeloosheid van wat bestaat, van wat niet bestaat, schept mogelijkheid. Conventieloos, een som van zo veel wijzen. Kon je het maar zien, jij blinde kijker.
Hier leg ik dan een steen en weet: je vindt hem waar je niet struikelt. H/zij is onverloochenbaar verlangen.

Hoe ongemakkelijk toch de dorpsogen op elk gebaar, de mussen in de tuin. Hun uniform verraadt niet waar ze net te luisteren lagen. Het overstijgen van een vale kleur is zonde. Ongenadig de stem-banden van een koor. Het koor dat krijst, het koor dat prijst ontheft ons als dusdanig van onbeleefdheid, het bele(efde)ven zelf, doet alles conformeren.

Glazen zijn de dagen.
Ik zoek je, Krokodil. Ik zoek je maag om in te leven. Vingers. Mijn hand. Ik streel je schubben. Mateloos. Tegen de richting.
Verlangen is mijn wijzervrije klok.

zondag 16 november 2008

tekort


Sterfgebergte
ontstuitbare ontbinding
De strijkhand wist een been
Doormidden. De strijkhand is
De plotse steen.
De werper?
Hij
knaagt en vreet.
Hoe hij niet hoort
Hoe hij niet kijkt
hoe hij niets streelt

waar ik in woorden vloei rest leegte
Niets kan ik hem geven
Daarvan is
(te)veel.

donderdag 13 november 2008

taferelen


Je vult het huis en stapelt stenen.
Zal ik weggaan als een lichaam dat uit een lichaam glijdt, dat samenvalt met leegte?

Drie-vier aaien van gevallen leer zijn niet subliem, als stroken slechts rode lucht verplaatsen, wel als je verder gaat, waar vallende koorden stoppen en drieviervijfzeszevenachtnegen staarten vliegen en rusten over man en vrouw en wereld, gezwollen buik van oceanen, als je slagkracht verder reikt dan het ingeblikte toeval.

Enkele druppels op de kam tellen evenmin als wreed. Jij kan het weten. Wél de mondjesmaat die je me geeft, een (...) en geen eeuw, die goutte à goutte door de trechter glijdt. Het eeuwig draaien van de machine in wederzijdse onbereikbaarheid. Meer dan een scherm als barrière. Een waakhond, een teef en een goddelijke Scheper? Of kunstmatig licht? (Usw.)

Ik kijk de leegte in. Het raam van vroeger is niet meer maar denkend te re-creëren. Slechts ruimte, tijd en beelden anders etaleren - op een einder projecteren.
Het wiel draait kant en klaar. Je hoeft het maar te spinnen, als hand die passioneel... Koffie maalt? Turbines... schreef je ooit, geloof ik. Maar waar?

Ik naakt en jij gekleed. Leeg het bord. Een spel en jij alleen die weet: het zetten van objecten over weldoordachte lijnen, de streek van je penseel.

Ik zuig aan je slaap waar eindeloos de ader uren klopt. Onder stof en puin ligt onbewoond mijn huis. Foto door het raam, zou ik m(j)e kunnen noemen en als vanouds. Het glas bedekt met pluimen. Zacht... Van dode vleugels. Er is een deur die tegelijk opent en (niets uit-) sluit... heb je schrik ze te gebruiken? Ze betekent het ene noch het andere, wel gelijktijdigheid, onvermengd en samen... weet je? Ik laat je léven als je komt.

Zal ik komen als een lichaam dat in een lichaam glijdt, dat samenvalt met leegte?

dinsdag 11 november 2008

maandag 10 november 2008

so long Miriam



Come over to the window, my little darling,
Id like to try to read you palm
I used to think I was some kind of gypsy boy
Before I let you take me home.

Chorus: so long marianne, its time that we began
To laugh and cry and cry and laugh about it all again

Well, you know that I love to live with you,
But you make me forget so very much
I forget to pray for the angel
And then the angels forget to pray for us.

Chorus


We met when we were almost young
Deep in the green lilac park
You held on to me like I was a crucifix
As we went kneeling through the dark.

Your letters say that you are beside me now
Then why do I feel alone?
Im standing on a ledge and your fine spider web
Is fastening my ankle to a stone.

For now I need your hidden love
Im cold as a new razor blade
You left when I told you I was curious
I never said that I was brave.

O you are really such a pretty one
I see youve gone and changed your name again
And just when I climbed this whole mountainside
To wash my eyelids in the rain.

zaterdag 8 november 2008

Och...

La durée
La durée c’est ce qui se
décompose
Ha!
La durée c’est une
défection . La durée c’est,
tomber en poussierrrrrrrrrrr.
Oui, oui.
C’est Flaubert. C’est Flaubert.
Et. Et.
Si ça dure, ça se décompose.
[silence]
Ce n’est pas du tout Bergsonien.
Gilles Deleuze
18-01-25 ~ 4-11-95





donderdag 6 november 2008

(niet) bekeken?


sterven of wat daar op lijkt
ophouden te zijn
als ik dwaal
door de nacht
vastgelijmd aan zwijgen.
Woordenloos en nog gedicht
aan elke uitgang
zwart
(ver)schrokken(de) ogen van de Enkeling
waar jij al ophield te (be)kijken.

ik zoek je tuin
met mijn ogen dicht
mijn botten breken
elke kilometer die je verder rijdt
dood gedreven
Je raakt (me) (niet) (uitgekeken).
Tot uitersten ik lich. (lach, lig, licht, enzovoort)

Begraven
kan je me
achter je tanden. Klem vooral de kaken.
Verdwijnen doe ik niet.

Mag je nog? of lig je vast?
Arm de warme nacht, ongeacht de dekens
veroordeeld

Vrij!?
(met me)
ik (vr)eet je

maandag 3 november 2008

Hondsvrouw


Afgedarmd van het bevrozen pad, de steen die het venster breekt en licht laat schijnen op een tot stinken gedoemde weg. Te vermijden dus. Je mond gevuld met ijskristal van verstilde woorden, je botten als schotsen op het Baikalmeer. Je houdt je ogen blind, terwijl je nog steeds kan kijken. Hoe ik telkens strand op je glaciale sediment. Ik ben koude gewend, je schrikt me niet. Ik stapel de verpulverde dagen als groeiende morene en schep schilfers van memorie met een dompelkop.

Hondsvrouwe trouw leef, beleef en belijd ik .

Diafaan

...

zaterdag 1 november 2008

διατροφή


het àndere systeem


ELLIPSIS

I cannot speak without being misheard; I cannot write without being misread, even by myself. Already I have lost my intention and your attention.

I cannot speak and yet, that is all there is to say. Never can I say what I mean although I mean everything that I say. I cannot speak, and that is why I do. I can neither speak nor write, and yet that is what is going on.

There is speaking and writing here but my relation to them is no relation at all. What is happening here is impossible, and yet it persists. It is the limit of all that I can do, the end, the edge, the period. It is finitude, and yet it is itself infinite, an endless repetition of ending, an infinite finitude, a repeating period: an ellipsis. What is this ellipsis? A pause, which appears
between other pauses, although it doesn’t appear for there is nothing there to appear. Language is nothing but this endlessly repeated encounter with its own limits, an ellipsis in which and as which it persists.

How do we speak in this? What are we in this ellipsis, if we are not that by which this ellipsis is? We are that against which its gaping extends and that which is extended. Speaking is only possible here where I speak that I cannot speak, where I am the extension, the repetition of that limit.

What does it mean to be unable to speak and yet to be able to say that? This is a question of language; indeed it is the question of language, as it is the question that language itself raises: How can I speak of that which gives speech but cannot itself be spoken? What kind of language can I use to speak the impossibility of language? Not in such a way that I am simply speaking of impossibility, for that would be only to describe it rather than to say it, but in such a way that I would say something altogether different, which is to speak impossibly.

But who would hear this, and how could it be heard? And if it could not, what then would I be saying? Is not hearing necessary for language, even if it is only my own? And what if by speaking impossibly I could not hear what is said, even as I say it? What has happened to me in speaking of language is nothing less than a dispossession of my self. I can neither speak nor hear, and yet that is what is going on, or rather, language is speaking and hearing and “I” have no place in this. “I” am its limit, just as it is mine.

What kind of language is this and what is it saying? Despite its closeness it is foreign to any language we know, except poetry. The question, “how can I speak?” lies at the heart of poetry, but in trying to answer it poetry is brought up against its own limits. These limits enable poetry to speak, but also prevent it from ever fully speaking; hence the question at the heart of poetry is always inflected by its own constraints.


Ellipsis
- Of Poetry and the Experience of Language
after Heidegger, Hölderlin, and Blanchot
William S. Allen

donderdag 30 oktober 2008

¢

Daar was je dan, net. Onverwacht, zoals jouw soort dat kan. Lezend zag ik je niet-zijn. Je ging sterven, kon niet meer spreken aan de telefoon. Morgen bel ik je terug, zei je. Dat je dood was ja. Je had geen wangen meer, alleen nog ogen. Alles was weg maar niet ontbonden. Je zuchtte in plaats van te praten. Niet eens gefluister. Wij, bij elkaar, jij lag, ik zat je te bekijken. God, wat was je mooi. Net voor de rand. En nog opnieuw, nu, pas, was er je beeld: de mooiste vrouw uit mijn leven. Ik mis je niet. Geen minuut. Het was je tijd.

ΣΟΦΙΑ ΣΑΛΩΜΩΝΟΣ 2

1 εἶπον γὰρ ἐν ἑαυτοῖς λογισάμενοι οὐκ ὀρθῶς ὀλίγος ἐστὶν καὶ λυπηρὸς ὁ βίος ἡμῶν καὶ οὐκ ἔστιν ἴασις ἐν τελευτῇ ἀνθρώπου καὶ οὐκ ἐγνώσθη ὁ ἀναλύσας ἐξ ᾅδου

2 ὅτι αὐτοσχεδίως ἐγενήθημεν καὶ μετὰ τοῦτο ἐσόμεθα ὡς οὐχ ὑπάρξαντες ὅτι καπνὸς ἡ πνοὴ ἐν ῥισὶν ἡμῶν καὶ ὁ λόγος σπινθὴρ ἐν κινήσει καρδίας ἡμῶν

3 οὗ σβεσθέντος τέφρα ἀποβήσεται τὸ σῶμα καὶ τὸ πνεῦμα διαχυθήσεται ὡς χαῦνος ἀήρ

4 καὶ τὸ ὄνομα ἡμῶν ἐπιλησθήσεται ἐν χρόνῳ καὶ οὐθεὶς μνημονεύσει τῶν ἔργων ἡμῶν καὶ παρελεύσεται ὁ βίος ἡμῶν ὡς ἴχνη νεφέλης καὶ ὡς ὁμίχλη διασκεδασθήσεται διωχθεῖσα ὑπὸ ἀκτίνων ἡλίου καὶ ὑπὸ θερμότητος αὐτοῦ βαρυνθεῖσα

5 σκιᾶς γὰρ πάροδος ὁ καιρὸς ἡμῶν καὶ οὐκ ἔστιν ἀναποδισμὸς τῆς τελευτῆς ἡμῶν ὅτι κατεσφραγίσθη καὶ οὐδεὶς ἀναστρέφει

6 δεῦτε οὖν καὶ ἀπολαύσωμεν τῶν ὄντων ἀγαθῶν καὶ χρησώμεθα τῇ κτίσει ὡς ἐν νεότητι σπουδαίως

7 οἴνου πολυτελοῦς καὶ μύρων πλησθῶμεν καὶ μὴ παροδευσάτω ἡμᾶς ἄνθος ἔαρος

8 στεψώμεθα ῥόδων κάλυξιν πρὶν ἢ μαρανθῆναι

9 μηδεὶς ἡμῶν ἄμοιρος ἔστω τῆς ἡμετέρας ἀγερωχίας πανταχῇ καταλίπωμεν σύμβολα τῆς εὐφροσύνης ὅτι αὕτη ἡ μερὶς ἡμῶν καὶ ὁ κλῆρος οὗτος

dinsdag 28 oktober 2008

litanie


Eer aan de weeë smaak van zwijgen, de walm van klank, de zoete nageur van een stem die sprak dat traag niet meer wou en zien kon ge-worden, het coëxisteren van tijden. Eer aan het kervend schrijven op een naakte huid, de tafel in een huis voor geheugen van materie. Eer aan woorden, de afgrond van spreken als vel een brailleblad voor een handenloze wordt. Eer aan de volle klank van zweep en koorden, het immobiliseren van de teef. Eer aan de slang die een egel eet, wie heeft de meeste stekels? Eer aan het vertrek naar de woestijn. Eer aan het dode kind, geslacht, geslagen en gereänimeerd. Eer aan Paulus, het exces en de agape, het onbeleefde Evenement, het grenzenloze Reële. Eer aan de Waarheid, het ademloze stokken, Ellipsis, Apoptose, een zucht abio-Genesis en wel ja… ook Neurose en al haar broers en zussen. Eer aan de Gelassenheit. Eer aan het huis, het volle, het lege, het verlaten, het levende. Eer aan de honger, het tekort, de leegte en het schrijn-en. Eer aan de ogen die blind nog kijken, het bekkenbot, de schedelrand waar vingers dwalen, zich stoten aan het schouderblad. Eer aan het lichaam als enige barrière, de huid en haar wonden met bloed, speeksel, tranen, melk, sperma en slijm. Eer aan de ingewanden, het riool in het naspoor. Eer aan rook en eer aan - klote - het rookgordijn. Eer aan de dichter, de schilder, de denker, gedachten, het Ándere systeem. Eer aan het verglijden, de klootzak, het gemis en zwijgen. Eer aan het snijdend gebeente, de toegeknepen keel, de ellende, de pijn, het verdriet, de taaiheid van het weekdier in een fossiel van amber of steen. Eer aan een maat-loos verlangen. Eer zal ik rottend sterven dan in te geven.

distorted

maandag 27 oktober 2008


Afstand tussen keien zou meetbaar kunnen zijn, anders dan mensen ver-wijderen ze (zich) niet.
De ontvruchtende kilheid van een stenen be-sluit blaast door de nomadentent, ruist in beenderen waar druppels merg nog samentrekken. Gefossiliseerd en am(p)ber omvat(tend) de tijden: de vloeiende, de zachte, de koude, de golvende, de dwingende, de smekende, de hopende, de wachtende... de verzengende, de onvermengde.
Integriteit. Tot bloedens toe.
Illusies dienen in revers gedemaskeerd.
Vingers ontvlezen gekookte knoken.
Een holle mond zuigt het merg.
En lacht.
Ik blijf.
Dolen buiten het ordelijke leven.
Ogen kijken en weten niet of de huid nog wachten zal, het leer verbleekt in zon en kou.
Er is geen weefsel dat meer bindt dan weefsel dat niet bindt, het niet-gebonden zijn.
Het lichaam ligt, het schouwen blijft - de Andere arena - met dichtgeschroeide ogen - droog nu - en keizerlijk zwijgen in de doorngenaaide mond. Chirurgisch verwijderd - blijkt het wilde vlees te stimuleren.
Vingers schrijven, overal. Ik lees de tekens op mijn huid.

Kwartsprecisie is geen doel, een boemerang daarentegen. De splinterbom geeft alles prijs, compactheid ontvouwd in... het geheugen? Dromen. De buik van de egel.
Hier (daar, verderop, ver, ongezien geweten) is het lange lange blikken in besmuikte ogen.

De vensters blijven open. Blote voeten op het vuur. Ngalyod, glijd binnen!
In elke plek van dit huis… welkom op de dansvloer van sodade.

zondag 26 oktober 2008

Não te vejo


Hoje não estás sem sei onde estarás,
na total impossibilidade de gesto ou comunicação.
Não te vejo não te escuto não te aperto

O que passou não é passado morto.

C.D. de Andrade - sem que eu pedisse...
(fragm.)

donderdag 23 oktober 2008

woensdag 22 oktober 2008

mant(r)a



Een weerspiegeling, een deel maar en wat je ziet ben ik niet maar jezelf. Het spiegelen is eindeloos en geenrichtingsverkeer: schermen, oppervlakken, een schim achter het behang. Come on, Alice! De spoken van het koor.

Wat met het harde kómen van een langeafstandss(c)hot, je almaar blinder kijken?
De remote control draait mijn polsen van ver en ik kronkel in de gedwongen wrong. Don’t be stupid: lachen klatert onhoorbaar. Schrijven met een naald op vlakke huid en lezen met een grammofoon. Opwinding zou dat kunnen heten of herinnering.

De stilte van een woestijn benomen, gezangen en het beeld dat glijdt doch blijft, het overstijgen van stenen, monden, ogen. Je drupt als een infuus in mijn arm. Traag. Je stille hand houd ik (niet) tegen. De kraan gaat (niet) dicht. Er is geen remedie. Alles is dat is.

Stil… nu is.
De manta. Pectorale vleugels onmetelijk diep. Daar is geen kader, de blik is onbeperkt zolang ik vorder. Geen dwangbuis, geen kokerzicht… alles puur.
Kijk hoe het ontbindt in niets. Niets dan gratie, stilte en aanwezigheid. En terug de oneindige spiegel die je speelt. Kolossen in de tijd. En tijd, wat dat ook mag zijn: Kronos, Kairos, de klok of de gelegenheid.

Luik na luik na luik dat opent. En de dwingende blik. De oceaan is wijd, oneindig. Ik ruim en spreid, opnieuw. Ik rijd wijdbeens de golven, diep ontspannen lig ik na te hijgen. Je kijkt niet, maar ziet. Je blinde ogen meer dan open. De gebeten vrucht verdwijnt doch blijft, we raken niet; drijven, blijven.

maandag 20 oktober 2008

zondag 19 oktober 2008

geladenheid


Oog voor oog de beelden schaduw
licht het tranensijpelen.
Blote voeten in een bos met honderdduizend
kale bomen. Wortels diep, dicht en mos
en rotte blaren. Het ene blad-

muziek, woorden grof-
gemalen langs tanden van een andere tijd en
breekbare banen die fijne snaren
van je tong besnijden.
Tijd en licht en beelden beelden beelden
al-en-één gelijk, de sluitsteen van de boog,
de sleutel van het recht om één en veel te kunnen zijn.

Avondlucht jongleert
met muggen, stekelige gedachten naaien
en – vreemd - al de losse delen tot wolk
geïnstitutionaliseerd.

Zien horen voelen ruiken en
nooit totaal. Tijd. Onmeetbaar.
Aanwezigheid in al-tijd.
Doorbrekend wat zich toont.
In-in-con-sequent.
Puur zien, blind kijken.
Niet vallen want geleid.

zaterdag 18 oktober 2008

vrijdag 17 oktober 2008

situaties (onmeetbaar)


Golven meet je niet in centiliterpotjes, woestijn niet in een emmer. Een zandloper stapt duinen met platvoeten van tijd. Purper de bloemen en een geur van rottigheid. Ze draagt oorbellen, een handdoek aan haar borsten en daaronder het kind. Mijn lief was ze lief. Ik vroeg haar slaat hij je? En purper, purper keek ze me aan.

Ik heb geen geld voor maandverband, zelfs niet voor een oude krant in mijn slip. De blik ergens ver tussen de gombomen. Het is een ernstige zaak. Ik knik.
We zoeken vruchten van de baobab. Yoghurt straks, belooft ze. En met bananen nog te groen, wordt huiswaarts getogen.
Zout op de snee. Salt does the trick en een donkere plastic zak. Overmorgen zijn ze rijp.

Op takken hangt de was te drogen. Zeven jaar en klein. Namen van heiden en heilig... de kinderen - en 's nachts drukt ze zich - onder het deken, het bed te smal voor vijf.

Aan warmte geen gebrek. Aan vliegen geen gebrek. Aan luizen geen gebrek. Het riet breekt, het zand breekt. Haar tanden breken. Haar ogen.
Ze wuift niet meer.

Ik neem mijn boek. Het is uitgelezen. We stoken het vuur en maken waaiers en kiezen letters. Eerst al de E's, de A's enzovoort. Tot (...) overblijft.
Q(uestionmark).
Slaat hij je?
Ja.
Ze lacht en breekt een ei.
(...) ontsnapt.

donderdag 16 oktober 2008

(...)

de schoenen van de mehari…


Ik lees je trek en zie de elegantie waarmee je het zand bedwingt. Je schoenen zijn te groot voor mij, Sekuru, het spoor van je mehari gecamoufleerd. In het donker hoor ik niet zijn tred, noch zie ik de herinnering van je gezicht. Ik wacht al zo lang. Het is dorstig. De tijd haalt me in. We racen met ongelijke dieren.

En toch: daar schijnt voluit de maan. ‘Licht’, dat was het woord. En uit de berg van voorheden gaf het zijn lading prijs. Hoe lang heb ik het laten liggen? Gelaten gelaten.

Is het dan zo dat het kan? Dat ik niet passen moet in eender welk net van dagen en beelden en diepten, van schrijvers en woorden en tijd?
Dat mijn ritme niet sneller moet en wat duurt zijn beloop kan krijgen tot het inscherpt? Tot wat je schrijft zijn inkerving krijgt en ik het kan grijpen?

De steen die ik vandaag ont-dekte draag ik als (ont) lading van geheugen. Het denken trigger-klaar.