[...] En wat hier volgt brengt de dood weer in het leven - het duidelijker, -in-het-leven-dat-we-leven, -kan-het-niet - omwille van wat de poëzie doet. Dat vrolijke nietzscheaanse, dat Jandl volgens mij aanraakt hiermee. (zie het youtube-dingetje) en ik kan me voorstellen dat hij hier deze of gene mee tegen de schenen stampt.
http://youtu.be/ixgbtOcEgXg
Ernst Jandl (van die Scheissmachine o.a.)
- poème, celui-là composé seulement de consonnes pour évoquer la guerre moderne et les combats, lecture éloquente de Jandl également.
Het reële - ik las ooit een receptakel over een pasgeboren moeder - is dààr te zien.
In
het in en uit, het nog met de binnenkant van de parturiënte bedekte
kind, dat pas een buitenkant kreeg, de grens naar / uit het reële toont,
voor het gewassen is.
[.]e zag het ooit in het echt. Mij was het niet gegeven.
Nochtans... ik voel het.
Wat voor moeder ben ik?
Bestaat daar een gedicht over?
van de harmonie naar harmoniets?
niet meer spreken
niet meer eten
niet meer slapen
niet meer dromen
niet meer
niets meer?
van daar terug naar harmonie?
Het
is ochtend en ik houd me vast aan een kop koffie. De nacht was te
kort. Alles lijkt bizar: waarom ik hièr zit, hoe ik hier kom en hoe ik
me afvraag: heb ik een kater!
Mijn ogen dwalen in de registers van mijn geheugen.
Ik
hang vast aan ogen van schitterend amfibool, gevlamde eb en mahonie,
vingers die in een baard plukken, handen en armen die onverwacht
explosief gesticuleren en woorden, uitdrukkingen, tussengooisels als
‘pfff’ en ‘oech’ en lach en gedachten kleurrijk boven de tafel
schilderen, om daarna even plots stil te vallen in een schoot van
magere benen die zelfs om elkaar geslagen nog toelaten dat beide
voeten de grond raken. Ik wil mijn handen op die knieën leggen.
Ik
houd me vast aan een kop koffie. Zwart legt hij een isolatielaag
tegen mijn binnenkant terwijl ik mij uiterlijk als vanouds niet laat
kennen. Tenminste, dat denk ik. Ik stort een bodem in mijn maag, een
shot cafeïne, om me niet te verliezen in gedachten van 'utterly
confused'.
En zijn die haast vogelachtige handen,
als kieviten op een veld, met onnavolgbare vlucht - dat duiken,
zwenken, stijgen, rusten….
Ik had gezegd: “Ik wil ze zien en voelen”. Dat mocht en deed ik dus.
Ik
palpeerde ze beiden (zou mijn ogen willen sluiten) en voelde ze als
braille. De nagels, het bot, de huid, het vlees van de muizen. Ik
navigeerde als vanouds tussen metacarpalen, vond snuifdoos en webbing.
Zocht de ijkpunten, maakte een mentaal plan en hing alles vast in mijn
eigen vingerprent.
Dat was ik, prentenverzamelaar. Van onzichtbare platen. Het handencabinet…
Met kijken en voelen van handen als puur genot.
Mijn
ogen zijn daar gebleven, op dat gezicht. En als met een laserpen
snijd ik lijn na plooi, de baard, de lange nek daaronder, kwetsbaar als
Nzou’s plek.
Elke dag sedertdien.
Het onge-loof,
de kruin van een boom, ontdaan in de herfst en
zie het hert en zie het kalf, zie het anderhalf.
Zie haar staren, zie hem maren,
zie ze paren in het rot, het zot in de blaren
op de grond. Zie ze, hij vocht,
zij vochtiger, wie het hartst?
En als vocht een vorm van vechten is,
hoe is rot dan een soort van humeur?
Is er humide, fluide, dulide, timide, soliede,
oliede zij hem of hij haar? Verbiede...
Stupide. Spreken over de liefde. Het barbaarse
geweld tussen de achtste en de zesentwintigste.
Letterlijk. We houden van de barbaren.
Klootzak werd een erenaam.
En hoewel van het Hebreeuwse ijle ook,
moest Abel eraan. Geloven.
Eraan geloven. Ja. Zijn blanco is was,
was zijn manco. Was waar niets in ingeschreven staat.
Stond. Slide of time. De stonden, de uren,
de dagen, het dagen van de zon.
De zonde, de zondaar. Kaïn.
Kaïn, daarentegen!
Kaïnjer, ja. De eerste en de elfde.
Hoe gelijk, hoe ongelijk.
Geen broeders meer, het verschil
geslecht met de achtste na de twaalfde te leen
de tiende en de vijfde,,,,,,,,,,,,,,,,
enzorookt, enzoademt, enzodoort.
Een mug crasht in de rode wond, alwaar
de textuur van pijn. Het kunstmatige van twee.
Er is een geval... het gevallen stuk.
Het gezicht verschijnt. Hoe lang-geleden-angel-eden?
En ik lees. De grimas. Ze neemt inhoud en leegte
tegelijk, draagt en verhult, de tijd, de wijzere.
Het sleutelbeen op scherp in de deur van het lijf.
Huid aan huid was zij, een huis.
Ik doe mijn ogen dicht.
I like it, I lick it, illicit. Mokerslag. Genoeg
Bedrukt en kwaad.
Verloren in het rille. De tijd.
Als ik de zon kon stoppen en de maan
ik kon alles zijn, er is maar één iets dat ik wou
mmmmm
de mmorgen, de mmiddag en de mnacht
En receptakel verschijnt en net daarna
Aloekah.
Maar haar linkerborst is geamputeerd
Het ene kind dood, het andere leeft
en dat het niet om zonen gaat
Er zit méér reliëf op een Kaïn dan op
het witte blad, het rookgordijn dat Abel heet
Kaïn is het leed en het leven
Abel het koor, het streven
Gaat het om goed of kwaad?
Of simpeler: brrrààààffff & ssstoûtttt?
stop met polariseren.
Bij een passage van een
uithuiszetting door oorlogsveteranen ben ik behoorlijk in elkaar gegaan,
woest ook op de schrijfster, dat het zo niet was, niet toen ik daar was
en de wacht kreeg aangezegd. De woede zakte wel, maar slapen lukte niet
meer die nacht. De machetes, de bijlen en de geweren waren net iets te
levendig. En geen officieel document dat de actie ondersteunde. Bruut
was het. Wel. Niet elke verdrijving is / was gerechtvaardigd. Geen
enkele had zo gewelddadig moeten verlopen als ze deden. Pfff. Hier kan
ik niet over praten. Met niemand.
Het is geen kwestie van een
kant kiezen. F*ck. Daar gaat het niet om. En toch wordt het
gepolariseerd. Blank/zwart, goed/kwaad, brrrrraaaafff /sToûtttt.
Grrrrmmbl.
Op een bord ligt een koekje
het is een boudoir
het is ingericht als een .. .........................................................................boudoir natuurlijk
en binnenin wordt .. ...............................................................................filosofie
bedreven.
Zoals katers tot leven komen.
En katten. Misschien wel twintig. En een koerende blauwporseleinen duif.
Vanwaar?
En dààr: een kapucijnersiamees met zwart
gezicht en lichte vacht en ijsblauwe ogen. De sperwer hoort bij hem of haar.
Vanwaar
kèn ik die dieren?
Houd de deuren dicht en ramen. Houd ze binnen,
de katten en de rest. Buiten gaan
ze dood. Te laat.
Daar ligt er een, onder de voet gelopen. Vanwaar?
Vanwaar?
Tel ik de katten in de kist,
de vogels, de muizen. Tel ik de dieren
die op boeken staan. Alleen op de wereld.
Daar! En daar!
Hoe duidelijk nu! Hoe fluisterduidelijk. De adelaar,
als hij? Of de grote gier op de kast?
Nog zijn de woorden niet koud, hoe stil gesproken ook of
steen
wordt geruild voor veren en
in nauwe nood, opent een raam
pje en hoe zo'n grote vogel door dat kleine gat? En klapwiekend stijgt tot de thermiek. Tot de thermiek hem draagt...
Kwetsvragend? Zou dat bestaan?
Wat dan met de *en ik schrijf letters in doofstomme lucht* o l i f a n t?
En *denk ik zonder woord* de g i r a f.
Of dat de bultrugwalvis uit zijn chrystalbox barst, met gezang en al?
Het
houten nijlpaard op het schap, de krokodil van plexieglas, de gekko uit
Mount Darwin, de aap, de slang, de neushoorn en de toe-kan?
In een kever kruipen mensen.
a day on the breast
supper surpressed.
hoofdstuk 7-13
tussentekst - on- of ononafgewerkt Men weet het als men het weet (lachen met po83)
ik tel van 11 tot 1001
- een vrouw ligt in een kleur van kussen half op haar rug met het bekken
gedraaid, paarse, donkerrode en donkergroene tinten met wat wit en
oker. ze wacht
- een brandende lucifer nadert het sleutelgat
- drie filosofen staren naar een punt in de vijver. ze dragen hetzelfde
pak. ze zijn beperkt tot wit en zwart. toch is dit alles.
- op de hoek van een schouw staat een bakelieten telefoontoestel. de draad leidt naar het eergisteren van eergisteren.
- de trap van zwart en wit reikt tot in het blauwe van een lucht op een zwart-witte foto
- de vrouw ligt nu naakt. ze slaapt. haar boek ligt op de grond. ze weet
niet dat ze geschilderd wordt. maar het is wel waarvan ze droomt.
- er is een manier om sneeuw te schilderen in de bergen zodat die zich
met de wolken vermengt. de bergen lijken kalligrafisch bezaaid. er bloeit
lavendel aan hun voeten. hebben bergen tenen?
- de vrouw haar borst wordt opengesneden. ze kijkt toe met een lichte
buiging van haar nek. haar ogen zijn dicht. ziet ze ziet met haar huid.
misschien een vraagteken.
- een lieveheersbeest loopt als een mini-verkeerdgevlekte koe over
letters op zoek naar een lievevrouwsbeest. de letters wijzen een andere
richting aan.
- de sleutel naar het eeuwige leven heeft een rare geur
- de vrouw duikt onder water. ze is niet langer vrouw, maar vlek. geen borst te zijn.
- er is een tuin en een zetel met algen begroeid. de trap loopt alleen maar omlaag
- hoe zit het met schuim? kan je daar vlees van maken?
- dit gat in mij ontsnapt, of het nu ochtend is of ochtend.
- het leven is een kolk met ogen onderaan
- door de deur drijft het bloed dik en rood de kamer in, Occupy
- alles gaat vlotter op glad vel. het kaalgeschoren veld is oneindig in de blik van de toeschouwer
- het hart ligt open en bloot op tafel. het klopt nog. na.
- het pad naar het oerwoud ligt bezaaid met zussen en broers, kinderen,
de voorvaderen. bloed kruipt waar het niet recht kan staan. wat een
bo.el.
- er is maar één stier nodig. het zand kleurt rood.
- soms zijn grote haken beter dan kleine. wat er tussen staat wil liever ontsnappen.
- je was zo lief
- nierdoorvorsers hebben gelijk, de handen geboeid boven een Y. en de kuiltjes, ze spreken
- dit vreemde woord is als een man in rood, het hoofd bedekt met kap. in
de ene hand een kandelaar en in de andere de vrouw. hij zeult, zij
verzet. zich.
- wil ik de middelen kennen van beide partijen?
- rood neemt hand over hand het terrein in van de rug, de vingers diep in het weerbarstige
- soms is een mens niet meer dan een vlek. bepaalde vlekken zijn onverwijderbaar. Wat een geluk.
- plots zie ik mijn stad en zie dat het mijn stad is. je. ruza.
- wat is een vrouw?
- je klopt. eindelijk dan. wat een gezicht!
sporen, anterieur aan dit zijn, in dit zijn. voren.
hoofdstuk 7, § 11, p. 11 hoofdstuk 13, § 7, p. 14, 18, 21, 25 hoofdstuk 13, § 7, p. 28 #bouwverlof
Seufzer.
— Ich erhaschte diese Einsicht unterwegs und nahm rasch die nächsten
schlechten Worte, sie festzumachen, damit sie mir nicht wieder
davonfliege. Und nun ist sie mir an diesen dürren Worten gestorben und
hängt und schlottert in ihnen — und ich weiß kaum mehr, wenn ich sie
ansehe, wie ich ein solches Glück haben konnte, als ich diesen Vogel
fing.
Friedrich Nietzsche - Die fröhliche Wissenschaft, Viertes Buch 276-309
Toen
ik danste in Singapore en Casa di Alataro bezocht, de staalstructuren
van vleugels en huid met hun lineaire en quadratische wetmatigheid, de
vrijheid tussen de vlaktes verkende en geïnspiraliseerd doppen uit
flessenholen wervelde, de halzen, nomadisch, gedisloceerd, alles voor de
liefde, tutti, of toch quasi, wetende: de toekomst is net gepasseerd -
op hoe hoge benen? - had je me moeten zien: met welke lach van buskruit
en zonneschijn? Stijgen op de thermiek van het x-jarig creatief gebaar.
Een arend in het zwerk taxeert de logica van de modaliteiten.
Probeerstenen als eilanden van een andere dag hermetisch beschermd door
ruige wolken dwars door een continent van bloedende harten, waar
muizenbeten trager dan de arend aan de lever, knagen aan kamers en
zwoegende boezems, expanderen om als de bomen in de lente hun bladeren
hun parasieten uit te werpen, maar niet als het blad gehecht te laten,
ze weg te snijden als de tumoreuze enten die ze zijn en de blauwe camera
registreert briljant dat overblijft. Vakkundig geslepen.
Werden
ambassadeurs geäppeleerd, representanten van andere ingewanden, nu het
paradigma verschoven is, verschuift? Het waren diplomatische ruimten in
een haveloze kast, antiek en houtwormgebeten met nog wat kant, genoeg
voor een marge van zijgedachten, brokaat en de rimpels van
botswana-agaat. Hoe anders dit cruë theater in zijn obscene kracht, waar
het hart het grootste niets meer is en de wereld naar de maag
marcheert, de charge van aanstomende terreinen. Zouden dit echte
gesprekken zijn, onder het azuurblauwe tapijt? De ooggetuigen op de
vleugels van botermotten (behemotten?) en honingaandragende vliegende
paarden uit de Nijl. De fictie zo groot als een wurgende anaconda rond
het paaltje van pijn. Kunnen we titelloos bekennen? Ontwricht in
waterweiden? Moeten we op rijmwijsheden een dag construeren, een nieuw
beeld om mee te beginnen? Gonzen bijen de lucht tot materie?
Ik
bind de katernen van gerecycleerd morgenrood tot minder vrolijk weten.
Heil de suprematie van het vermogen te pacificeren - erotiseer die
handel - en het ademende lichaam te stutten in wat uit openingen glijdt,
fatale fouten die nooit tot wasdom komen, en overvloed, weelde en
exces. Dit is een andere staat van schrijven. Een parallax, een
universum naast het lood, met vreemde polen, zonder noord of zuid, waar
tijd geen wetten volgt, gewetenloos ver-niet-igend wat is, vervuld van
élke mogelijkheid.
Waren er binnenoorlogen of goden van nijd?
Virtuoos, vir.tu.eel. draken- en damesvliegen als weleer ten tijde van
Joris. Wisselverhalen worden verteld bij een tóch van vuur, de warmste
ademstoot lansrecht ondanks dit kijken door een periscoop als we zo
ondergronds nog leven, zo stil en te niet, de vuile hand geheven voor de
kruimels die hij geeft en elke korrel niet minder dan goud. Zo is het
simpel stormen te riskeren en het belangrijkste te hertekenen tot een
reuzeminiatuur, basisprincipes van overleven, het voedsel van een
astronaut, een universum in een tablet. Oerdrang in schaduwbeelden, het
geweld van de o-vuller, het geschonden boek een nieuw gezicht gegeven.
Kunnen we kleuren in een klassieke tekst? Een inleiding tot mengselleer?
Bestaat er een revolutie op de Maan? En kunnen blauwe mensen Rammstein
zingen? Houdt nachtrag auto's tegen? Zijn reuzespinnen en verzinsel of
zitten ze in een suikermachine? Ik draag een jurk van levende bloemen.
Nooit nog kom ik dit water uit.
hoofdstuk 7 - 13 after finitude Tout
peut très réellement s’effondrer – les arbres comme les astres, les
astres comme les lois, les lois physiques comme les lois logiques’ (QM -
AF 73)
Een
dode mond lacht niet, noch de onzichtbare. Vertel me: lacht je gezicht?
Hoe kreukt het vel aan je ogen, plooit de huid naast je neus tot ze
verdwijnt in wat je bedekt? Tijd. Ik krijg de raad van tijd. Niemand
weet dat die oneindig is en zonder vergelijk met de sterfelijkheid van
een oogschittering, het oplichten van obsidiaan, het aanspoelen van
speeksel en tong aan lachende lippen, pratende accolades,
verlorenwaaiende sliert, tikkende nagel tegen een glas, een aansteker,
een sigaar, een ander(e)... object.
Vingerafdrukken
verschijnen onder geloei van de wind. Rook, rook, alles is rook.
Peau.rien bougent, open en dicht. Dopen en icht, ogen en licht. Wordt me
verteld dat het in vlechten ligt, dunne sprieten langs de oren van de
Naam van de Vader en het kind.
En traankaartjes gratis èn voor niets.
Dat de zon opgaat en ergens achter de einder een volk met twee harten leeft. Ze zijn bedreigd.
hoofdstuk 7-12 hoofdstuk 13, §5, p. 29 e.v. tot § 6, p.6 e.v. hatchie, grüss Herr Nietzsche, Ode an die Freude, lac an tout je ne cherche pas, je t'rouve i rove you horen +, zien +, ...
gas mask wearing whirling dervish Turkish protestor. xpost /r/Turkey
http://imgur.com/r/all/J6qCt1g
Slavoj Žižek supports the protests in Turkey
02/06/2013
“Although
triggered by the apparently modest local issue of protecting a park in
the very center of Istanbul from commercial destruction, the ongoing
protests in Turkey obviously refer to a much deeper malaise. The fact
that protests exploded in a country widely perceived as a model of
“moderate Islamism” with a booming economy are a key indicator of what
causes this malaise: the prospect of combining the ravaging neoliberal
economy with religious-nationalist authoritarianism. The victim of these
two processes is the same: independent civil society with its spirit of
solidarity and cultural tolerance, the spirit which forms the very
backbone of the ethical health of a nation. As such, the protests are a
living proof that the free market does not imply social freedom but can
well co-exist with authoritarian politics.This is why the protests are
part of the same global agitation that is shaking the established order
around the globe. All people who care about freedom and emancipation
should thus say to the Turkish people: welcome! We are now part of the
same global struggle! Spain, Sweden, Greece, Turkey… only if we fight
together we have a chance!”
Ich wohne in meinem eigenen Haus,
Hab Niemandem nie nichts nachgemacht
Und — lachte noch jeden Meister aus,
Der nicht sich selber ausgelacht.
Über meiner Haustür
[F. Nietzsche, La Gaya Scienza - Motto der Ausgabe 1887]
~-~
"Fröhliche
Wissenschaft": das bedeutet die Saturnalien eines Geistes, der einem
furchtbaren langen Drucke geduldig widerstanden hat – geduldig, streng,
kalt, ohne sich zu unterwerfen, aber ohne Hoffnung –, und der jetzt mit
Einem Male von der Hoffnung angefallen wird, von der Hoffnung auf
Gesundheit, von der Trunkenheit der Genesung. Was Wunders, dass dabei
viel Unvernünftiges und Närrisches an's Licht kommt, viel muthwillige
Zärtlichkeit, selbst auf Probleme verschwendet, die ein stachlichtes
Fell haben und nicht darnach angethan sind, geliebkost und gelockt zu
werden.
(F. Nietzsche, La Gaya Scienza - uit het voorwoord)
'Here the essentially grave and masculine face of the
poet-philosopher is seen to light up and suddenly break into a
delightful smile. The warmth and kindness that beam from his features
will astonish those hasty psychologists who have never divined that
behind the destroyer is the creator, and behind the blasphemer the
lover of life.'
(Uit de 'editorial note' van Nietzsches 'La gaya scienza'- NY, The Macmillan Co. 1924)
hoofdstuk 13, § 5, p. 29 e.v. Freude, Freude, Freude
"het geluid van blad en takken, de oude elfenbanken, de zon die als das Ding soms doordrong. Dat, vooral dat... "
hoofdstuk 7, § 10, § 11, p.3, p.9 hoofdstuk 13, §5, p. 2 als er niets meer overblijft om je aan vast te klampen, is er nog het genot. Als de laatste illusie.(blad) (KG)
Speaking man to man the most important element in deriving the
maximum enjoyment from crackers is the choice of a companion to help you
enjoy them. She must be someone whom you admire. A beautiful woman,
elegant and accustomed to sophistication, a woman whose company is a
challenge to enlist, a woman that’s hard to get.
In approaching the companion that is going to help you enjoy the
crackers, it is best not to tell her of your intention; let it be a
surprise to her. Be charmingly mysterious, saying only that you are
going to do something currently different. If she accepts your
invitation, proceed in making the following arrangements:
Reserve two hotel rooms for the same night in two different hotels;
one a single room in a skid-row flop house, and the other, a suite of
rooms in the finest hotel in town. If you do not own an expensive car,
make arrangements to have one at your disposal for the evening.
On the day of the occasion, a few hours before you are to pick her
up, purchase several heads of lettuce, romaine, endive, fresh spinach,
etc.; several pounds of fresh ripe tomatoes, cucumbers, celery, olives,
green onions, and so forth. In other words, whatever ingredients you
would choose to make an attractive salad. Finally, you must also
purchase five gallons each of the following dressings: Roquefort,
French, Russian, Thousand Island, and Vinegar & Oil.
Take these ingredients to the room at the skid-row hotel. Pull back
the covers on the bed and make a four or five inch layer of salad that
covers the entire surface of the bed, tossing the salad well with your
hands. Pull the covers back over the salad and re-make the bed. Be sure
there is no salad on the floor. Place the twenty-five gallons of
dressing in the closet.
With the above accomplished, proceed to dress for the evening. Dress
as though you were a waiter or a wine captain in an expensive
restaurant, but leave doubt as to whether or not this is what your
attire really suggests. The doubt is, of course, a personal matter. When
you are dressed, and all of the necessary arrangements have been made,
proceed to pick up your date.
When you call for her, create an air of wistful mystery. however, try
not to make your mystery dark and ominous; keep it light and taunting.
If she asks you what is planned for the evening, it is very effective to
look into her eyes, smile faintly, but say nothing, and then look away.
Drive casually to the flop house. Make interesting conversation; keep
her wondering; answer her questions about what you are going to do with
only, “You’ll see.”
When you arrive at the flop house, take her quickly to the room you
have rented. Once inside the room, ask her this question: “By the way,
what salad dressing do you prefer?” When she has told you, go into the
bathroom and drape a small hand towel over your forearm (a la fancy
waiter). Return to the room and pull back the covers on the bed to
display the crisp green salad.
One of the high points of the evening is now at hand. You must coax
her to lie down in the bed. She may possibly reject such a notion at
first, and may even attempt to leave. Reason with her adroitly. One of
the finest points of argument to convince her is that it is perfectly
all right is “salads are good for you.” If she is still hesitant, you
can even go so far as to chide her for not being adventuresome. Whatever
you do, get her in that bed; get tough if you have to, but get her in
that bed!
After she is in the bed, go to the closet and take out the five
gallons of her choice of dressing, and with great flair, pour it over
her entire body. She will probably make some remarks like: “What is the
meaning of this ridiculous tableau? Are you mad, you crazy
son-of-a-bitch!” Enjoy them.
When you have emptied the entire five gallons of dressing on her,
snap your fingers and say “Crackers!” Begging her forgiveness, explain
that you have forgotten the crackers. Tell her that you will have to run
to the store, and for her not to move a muscle.
Race out of the flop house, drive swiftly to a store and buy a small
box of saltines. Do not buy fancy crackers. When you have purchased
them, drive to the fine hotel in which you have rented a suite of rooms.
Go directly up to your suite, place the box of crackers on the
nightstand beside the bed, take your clothes off, and get into bed. Turn
the lights off, settle down, and nibble on the crackers one by one. You
will derive a maximum enjoyment from them.
by Mason Williams, from The Mason Williams Reading Matter, 1964.
Man in Mirror: Don't worry. Don't worry about people looking at you. Be
yourself. Mannequin: Who am I, really. Can you tell me? Man in Mirror: Who knows? Your image is a game, an illusion. Play
with it, make a work of art out of ?, be free. Mannequin: What about my identity? Man in Mirror: You can't rely on appearances. You have a number of
faces, just like a portrait of Picasso. Pass through the mirror, un objet. Mannequin: Well, at the moment, I can't actually move. Man in Mirror: Eh, that is true that you are kind of frozen. As a
reflection, that doesn't give me much room to maneuver. I would more like — a page
in a magazine. But at least , I am speaking! Mannequin: Shhh. Not so loud. Someone is looking at us.
Let's continue to be still. I don't want to get involved with the crowd. I am
not good at it, you know–small talk. It's not my thing. Man in Mirror: Yeah. Just smile and be pretty. Mannequin: Oh, by the way, you look very handsome. Man in Mirror: So do you.
hoofdstuk 7, 8, Polonius, Baudelaire ('Un homme épouvantable entre et se regarde dans la glace') hoofdstuk 13, § 4, p 7, p. 19, p. 21 Lacan, Gaultier, automaton
het landschap steekt zijn stokken door
het stralen
van een bleke zon -
de adem van de grond,
de natte huid,
het dampen van een mondtoorts
licht
hoe gloeit het bij de sprekende wond,
hoe smeult het
in de gothiek van het verhemelte
als zinnen gemalen worden,
herschikt
verhit
het gemoed stutten tot
het landschap stokkend incasseert
Het oksaal is gevuld van gerucht
waarlijk zingt het
koor noch uitverkoren
wat is geboren
welk monster zag het licht, de lucht?
No meio do caminho tinha uma pedra
tinha uma pedra no meio do caminho
tinha uma pedra
no meio do caminho tinha uma pedra.
Nunca me esquecerei desse acontecimento
na vida de minhas retinas tão cansadas
nunca me esquecerei que no meio do caminho
tinha uma pedra
tinha uma pedra no meio do caminho
no meio do caminho tinha uma pedra
A porta da verdade estava aberta,
mas
só deixava passar
meia pessoa de cada vez.
Assim não era possível
atingir toda a verdade,
porque a meia pessoa que entrava
só trazia o
perfil de meia verdade.
E sua segunda metade
voltava igualmente com meio
perfil.
E os meios perfis não coincidiam.
Arrebentaram a porta.
Derrubaram a porta.
Chegaram ao lugar luminoso
onde a verdade esplendia
seus fogos.
Era dividida em metades
diferentes uma da outra.
Chegou-se a discutir qual a metade mais bela.
Nenhuma das duas era
totalmente bela.
E carecia optar. Cada um optou conforme
seu capricho,
sua ilusão, sua miopia
dark
shadows fly over in the night, wingspan of eagles, soundless high. I
call my brother: "Don't you see??? Bold eagles fly over thee". First he
doesn't agree. It's five now and they move back, flying circles, coming
near... bursting in laughter, penetrating the silence of the dark, and
their white necks morphe into a human head, their body into human beings
Hoe snel een droom een trap bestijgt en inkijkt in een kamer, waar
mussen op de vloer ontsnappen aan de kater die later weer verdwijnt, de
slaap, het bed, de planken waar aan nagels dieren hangen. Het boegbeeld
van een schip kijkt uit, ontworstelt zich, ontwortelt zich en strekt de
benen, maar het zoekt en roept op wat het niet vindt. De kater blijkt
een leeuw van lappen, de mussen uitgevlogen in het stratenplan dat zich
ontvouwt en waar lange benen jonge vrouwen dragen en een stem die moedig
blijft geloven: je vindt hem wel, ik vind hem wel. De glazen koepel
straalt en licht de naalden op waarop ze steunt, steltenlopend op een
schoen die aandacht trekt. En aan de andere zijde...
En aan de andere zijde ongeschoeid door weiden waar bomen bloesemen en
tweehoevigen gestapeld zijn en in het rennen een hand een hert aanraakt.
Hoe het voelt? Als hertenleer, als hert zo zacht. Maar de stapel kreunt,
de dikdik gromt, het ree blaft. En de kangoeroe is bruin tot in het
groene gras. En waar we verder lopen, stroomt vloeistof uit de grond,
als honing goud en geel, bij elke stap vult zich een plas. Het is nu
eenmaal zo, zegt hij. Zijn snor en baard zilveren vogels in zijn
gezicht. toen ik hem zag heeft zijn lach mijn tijger doen wiegen, de
kamer hing scheef ervan.
Het ene beest dat ik niet ken springt op en is een man die lacht.
Slavoj Žižek: In the future we'll outsource sex Romance
is maybe not yet totally dead, but its forthcoming death is signalled
by object-gadgets which promise to deliver excessive pleasure but which
effectively reproduce only the lack itself. The latest
fashion is the Stamina Training Unit, a counterpart to the vibrator: a
masturbatory device that resembles a battery-powered light (so we're not
embarrassed when carrying it around). You put the erect penis into the
opening at the top, push the button, and the object vibrates till
satisfaction … The product is available in different colours, levels of
tightness and forms (hairy or without hair, etc) that imitate all three
main openings for sexual penetration (mouth, vagina, anus). What one
buys here is the partial object (erogenous zone) alone, deprived of the
embarrassing additional burden of the entire person. How
are we to cope with this brave new world which undermines the basic
premises of our intimate life? The ultimate solution would be, of
course, to push a vibrator into the Stamina Training Unit, turn them
both on and leave all the fun to this ideal couple, with us, the two
real human partners, sitting at a nearby table, drinking tea and calmly
enjoying the fact that, without great effort, we have fulfilled our duty
to enjoy.