dinsdag 29 november 2011

een geval van providentia

dulce mel. quorum nihil oportere exquisitis rationibus confirmare, tantum satis esse admonere. interesse enim inter argumentum conclusionemque rationis et inter mediocrem animadversionem atque admonitionem. altera occulta quaedam et quasi involuta aperiri, altera prompta et aperta iudicari. etenim quoniam detractis de homine sensibus reliqui nihil est, necesse est, quid aut ad naturam aut contra sit,

Met de kracht van gemodelleerde microgolven schiet de overlevingsdrang uit de dampen van geitenkaas met chocola. Of is dit even insane als ethiek in het bankieren? Vertel me l'ouis van de zwarte prins en zijn dames? Geitenkaas is halal dus dopen we samen de hand in de schaal. Met pistaches. Ik kende ooit een man, Sahin - je sprak het uit: Sahein - met een halfzijdige verlamming. Hij was vierentachtig jaar. Elke dag knielde hij op zijn mat. Een keer of vijf of zo. Zijn vrouw had een ander geloof en onthulde dat zijn bedprestaties niets bejubelbaars meer hadden. Hij had een halfzijdige verlamming en was vierentachtig jaar. Hoe smaakt het? Je weet: de hand was voor de vork, alle gogo's kunnen je dat vertellen; ook al leven ze op een vlooienmat, hun wijsheid heeft iets universeels, habibi. Ze verkopen trouwens weer tajines in de carrefour. Witte, mèt gebruiksaanwijzing. Niet alleen om als sierschotel te dienen. Ik houd het bij het oude Marokkaanse gerief. Ken je het nog? Ik kocht er toen meerdere, spotgoedkoop en handig met de verwarming die ik heb. Koken zonder moeite. Nu de periode van werkgerelateerd sterven wat verder achter me ligt, is de knooptheorie actueel. De Kater zijn forte trouwens. En tante F. van zevenenenegentig - zo dement als maar kan - duikt het vooroorlogse liedje over de kat en de wol op. De theorie is ze vergeten. We lachen vaak met haar, wat ze zegt is hilarisch. Tussen haar 7 eerste jaren en 7 laatste minuten rest haast niets. Maar honderd wil ze stellig worden. Oh jee. Aan de drie dialogen van Barklee heeft ze weinig. Ik vraag me af: en ik? Dementie runs in part of the family... maar dat doen hartziekten en eetstoornissen ook. En het sterven. Hoe verschijnt de wereld voor me en wat is ze an und für sich. Soms verdenk ik Tante F. ervan dicht bij het laatste te staan. Soms. Want veel is voor haar ontdaan van betekenaar. Honderen hebben met Barklee gelachen. Anders dan de hond, zijn ze stom, niet in staat hun kop scheef te houden en het gat te bekijken. Of hun bovenlip aan slechts één kant op te trekken in een grijns. Ze lachen met jou. Met mij. En jij zegt: dat is ri-du-cul. Daarmee is dat ook afgehandeld. Geen handenvol suiker om de kost te doen vreten. Geen afleidingen, maar een heldere blik op de bron van de verwonderingen. En ongeduldige poten om over hekken te springen waarboven het verbodsteken hangt. Haha, een mens is geen paard. Wij zijn honden. Weliswaar met golfoptische componenten voor onze ogen, want meer dan drie- of vierhonderd jaar oud. Het hangt cobraans te wezen, ook bovenaan in mijn nek. Ik zoek nog naar de juiste kleur, die ik ken maar niet kan vinden. Het leven is grappig in de ochtend, vooral bij de voetwassing. Elias gaat voor en dan de rest, terwijl ik nog mijn neus in de droom druk die ik net over je schreef. Zonder handen, weet je. De vloeistofwetenschappelijke concepten dwingen tot praktijk. Elke hond weet dat. Mensen ook. Het is haast tekstboek. China China. Hectoliters ochtendpis.



hoofdstuk 7
hoofdstuk 9, §10, p. 26
hoofdstuk 11, § 11, p. 24

zondag 27 november 2011

epizode

[30] Omne animal, simul atque natum sit, voluptatem appetere eaque gaudere ut summo bono, dolorem aspernari ut summum malum et, quantum possit, a se repellere, idque facere nondum depravatum ipsa natura incorrupte atque integre iudicante. itaque negat opus esse ratione neque disputatione, quam ob rem voluptas expetenda, fugiendus dolor sit. sentiri haec putat, ut calere ignem, nivem esse albam, 

A Jewish Man's First Bacon 

Het woord was lach en lach werd worden brood vol manden handen
uitgegooide trossen lach en woord en brood de blote tonen van
bruine huid en bruine huizen, woorden voor het brood en na
het vlees in lach gebonden, de zinnen leeg van linksgelegen, rechts
met kale, en ik die van tapas houd met stukjes hond, mij is vreemd
het brood dat mannen dragen als een kruin, mij gaan blinde ogen voor
op achterhoofden die zich glad te dansen lenen terwijl ze scanderen,
gebeden uit al hun holen persen als petomanen met teveel.

Mij was de honing lief die uit je zijde vloeit op stront van gefolterde vrouwen,
het nieuwelingse pain pavé - plat plaveielings onder een maan wit als melkbrood
en je ewoorden die een vermenigvuldiging zijn door met en in de tijd
kijkt zacht met grote ogen suiker room en deeg van troost van boter na de pijn
zalf het smeren na het sneren het lokken voor het snijden lijden steken kijkt zacht
van chocola en marsepein eten zonder bijten eten zonder lijden zacht zo zacht
en enkel glijden

kijkt onbekend en daagt uit, kijkt vreemd en vol verleiding, kijkt nieuw en vrank,

duur en buiten bereik, tijdelijk, kijkt exclusief met speciaal gerief met handleiden
zonder lijden, durf je en ik spring hartig op de rand van een boterham met kaas,
daar waar ribbels diep indrukken, mijn voetstap naast de grip van een wandel
schoen en de handel schoen die mij bij de nek grijpt daar is het verbod vandaag
dat ik niet mag, niet meer mag, ondanks een lang verleden.

Daar klinkt de nijlpaardlach uit honderd opgeblazen kelen en tussen alle maal

sta ik. Er loopt lucht in vorm gegoten leeg als nijlpaardwolken en hun lichte lijven,
veel groten en veel kleinen, drijven op de helling van een boterham met kaas
met houvast in de ribbels van lach en scheten. en wat niet mag want niet mag is vergetelheid.
Het is geleden van het verleden dat ik er nog liep en in de vensterbanken
boeken kweekte. Zij roepen vragen lachen, het zijn nijlpaardvrouwen, hun glimlach verraadt
hun gezicht, en hun hoge kousen met horizontale banden, wat op revalidatie wijst.
Of ze zich katrien nog herinneren, van wie de moeder de plakziekte kreeg? en
dat ze het daar ook deden: zonder gerief. Alleen een stoel. Het zijn boze helmen die me
van de helling drijven waar de vering van nijlpaardlijven beschermt. Een grote vuilnisbak
grijnst dat ik geen schrik moet hebben en die heb ik niet. Er zijn ribbels en spijlen
en richels en in de lucht gaan wolken voorbij voor een paar euro per uur.
Ik bedank en stijg. Stervend. Maar niet echt. Gelukkig oordeelt niemand over dit.
Of ze zwijgen.



hoofdstuk 11, § 11, p. 16-20
nothing to loose

donderdag 24 november 2011

Zeit


Corona


Aus der Hand frißt der Herbst mir sein Blatt: wir sind Freunde.
Wir schälen die Zeit aus den Nüssen und lehren sie gehen:
die Zeit kehrt zurück in die Schale.

Im Spiegel ist Sonntag,
im Traum wird geschlafen,
der Mund redet wahr.

Mein Aug steigt hinab zum Geschlecht der Geliebten:
wir sehen uns an,
wir sagen uns Dunkles,
wir lieben einander wie Mohn und Gedächtnis,
wir schlafen wie Wein in den Muscheln,
wie das Meer im Blutstrahl des Mondes.

Wir stehen umschlungen im Fenster, sie sehen uns zu von der Straße:
es ist Zeit, daß man weiß!
Es ist Zeit, daß der Stein sich zu blühen bequemt,
daß der Unrast ein Herz schlägt.
Es ist Zeit, daß es Zeit wird.

Es ist Zeit.


Paul Celan






hoofdstuk 7, §11
hoofdstuk 11, § 11, p. 24

woensdag 23 november 2011

i(,) object III

s k i i r c f h j t n i s e






hoofdstuk 8-11

zondag 20 november 2011

Never

I rrrrove you

Sonnet XLVII


Betwixt mine eye and heart a league is took,
And each doth good turns now unto the other:
When that mine eye is famish'd for a look,
Or heart in love with sighs himself doth smother,
With my love's picture then my eye doth feast,
And to the painted banquet bids my heart;
Another time mine eye is my heart's guest,
And in his thoughts of love doth share a part:
So, either by thy picture or my love,
Thy self away, art present still with me;
For thou not farther than my thoughts canst move,
And I am still with them, and they with thee;
     Or, if they sleep, thy picture in my sight
     Awakes my heart, to heart's and eyes' delight.


Shakespeare




hoofdstuk 2

hoofdstuk 7 - 10

hoofdstuk 11, § 11, p. 16-19

vrijdag 18 november 2011

LI - eat that!

constituam, quid et quale sit id, de quo quaerimus, non quo ignorare vos arbitrer, sed ut ratione et via procedat oratio. quaerimus igitur, quid sit extremum et ultimum bonorum, quod omnium philosophorum sententia tale debet esse, ut ad id omnia referri oporteat, ipsum autem nusquam. hoc Epicurus in voluptate ponit, quod summum bonum esse vult, summumque malum dolorem, idque instituit docere sic:

Ingebedde systeemfundamenten en de aanwezige synaptische plasticiteit zouden toereikend moeten zijn voor dit bestaan. Niet zo. Soms is het in woorden in zinnen alsof de straten al belopen zijn. Een walvis ligt op de stoep het einde toe te gapen. Voorbij de regendriftige dagen haalt zonnevorst nu rag door resttextuur, code van licht en dicht op naakte twijgen. De ochtenden zijn eender, vroegemist gezongen, herhaling van herhaling door een naald van diamant bij kandellicht en waar mijn blikken reiken kijkt het binnenoog naar de boog van je gezicht, een lach, een frons om lip of brauwen, wenk of weer je weer? Mist is barmhartig voor de verbeelding, transfuseert, frantaseertasmatisch waar het koor de hoofdmoot zingt en ecrituur uit dubbel obscuur zich opheft naar lichter licht. Het zwarte nachtsalon, onderdonsd door dekens, waar strategieloze melancholie zich zonderloos vertaalt vóór radiant gedachten aan het ene, aan de Ene, een tyndalleffect genereren bij een horizon van dekens, het voeteneinde waar men moeiteloos - deze koude dagen - een slaafje dromen kan tegen koude benen. Geheimen als gouden bloemen verdwijnen bij de impact van ontwaken en de strijd om een dag ziel in te blazen.



hoofdstuk water
hoofdstuk 7-10
hoofdstuk 11, §11, p. 18

donderdag 17 november 2011

L - a thou-sand yard stare in the eyes


nunc dicam de voluptate, nihil scilicet novi, ea tamen, quae te ipsum probaturum esse confidam. [29] Certe, inquam, pertinax non ero tibique, si mihi probabis ea, quae dices, libenter assentiar. Probabo, inquit, modo ista sis aequitate, quam ostendis. sed uti oratione perpetua malo quam interrogare aut interrogari. Ut placet, inquam. Tum dicere exorsus est. Primum igitur, inquit, sic agam, ut ipsi auctori huius disciplinae placet:
Dans un geste

si j’enveloppe les fruits dans un geste je les serre pourtant contre ma main
mes distances mes libertés ne sont pas désinvoltes
si je regarde de loin ou de près le lointain
mon affection et mon désir ne cessent pas d’être niveau qui tienne la démesure
si je viens d’ailleurs et trouve sur la table la chose ou si je viens de moi-même ma main
reste caresse et tremblement crainte et silence panique baiser
si je suis les lignes de la main de ce que je vois et déchiffre les mouvements
si je les épaule
si je touche ce que je disais 
*


Een beschermpolitiek van wolligheid doet wormrot niet verdwijnen uit het haveloze van onbestemdheid. Zouden wij vandaag dan wapens grijpen. En welke? Op mijn bord scharrelen kleurige landschappen en ontworteld goed (ik wil niet dat je loslaat). Kruidig kleurt het morgenrood, de maan schreef drie registers. De bruine aarde, kluiten als een veelborstig wezen, geurt overvlezig. Ik zie je magere enkels zinken als de grond eraan zuigt. Sporen. Je zei het nog: "het forensische... komt overeen met criminologische verslagen", toen ik je back- en bovenhand vergeleek, je handen bekeek en palm en rug met vingers in de mijne streek, ze er in brandde. Het zijn landen, hard en onbewerkt en zoet en zuiders tegelijk, strepen van last en leven, van oosten en tonen. Je hebt me in een dunne plooi dichtbij je oog geborgen. Kijk nu, naar het beeld waar duimen zo zijn als wangen als borsten als billen als ogen, waar anamorfose... disproportioneert. Verstop je toch. Verstop je niet. Je bent te vinden als je zoekbaar blijft. Wie kijkt wordt bekeken. Duizend schilders met één penseel, vier kleuren, een zandloper die pas in het midden begint. Licht breekt in sneeuw, in hagelregen. Prisma. Alles is veel.



(*)
Christian Dotremont, texte tracé au pinceau par l’auteur dans une peinture-mots avec Pierre Alechinsky, huile sur toile, 89 x 145 cm. 1957. Œuvres poétiques complètes, Paris Mercure de France 1998, p 311. 


hoofdstuk 7, § 11, p. 11
hoofdstuk 11, § 11, p. 11
hij raakt mijn schouder aan 

XLIX - why me


Che vuoi?



hoofdstuk 7, §10, p. 31

maandag 14 november 2011

dichter

ooooooooooo oooooooooooooooo ooooooooooooooooooooooooooo oooooo ooooooooooooo oo ooooooo oooooooooooo ooooooooo ooooooooo ooooooooo oooooooo oooo oooooooo ooooooo oooooooooooooooo oooooooooooooooooooooooo oooooooooooooooo oooooooooooooooooo oooo oo oooo ooo oooo ooooo ooooo oooooooo ooooooooo ooo oooooooooooooooo oooooooooooo oooooooooooooooo ooooo ooooooooooooo oooooooooooooooooooooooooo oooooooooooo ooooo oooooooooooooooo ooooooooo ooooooo oooooooooooooooo oooooooooooooooooooooooooo oooooooooo oo
de dood kan niet dichter zijn
vers na verse dag in leem en aarde
zinkt het graf
dichter dan die sneed
het scheldlied dichtend nu vertreedt
dichter dan die leeft
die nu onder mijn voeten ligt
verder
te rotten





11.00 h

maandag 14 nov. 2005 - maandag 14 nov. 2011

vrijdag 11 november 2011

XLVIII - tango?

censes haec dicturum fuisse? Utrum igitur percurri omnem Epicuri disciplinam placet an de una voluptate quaeri, de qua omne certamen est? Tuo vero id quidem, inquam, arbitratu. Sic faciam igitur, inquit: unam rem explicabo, eamque maximam, de physicis alias, et quidem tibi et declinationem istam atomorum et magnitudinem solis probabo et Democriti errata ab Epicuro reprehensa et correcta permulta.

Noli me tangere - une oreille - une oreille - un avis avec ovation - silence - silence - une oreille après un avis - silence - silence - une oreille - ovation - silence - une oreille - ovation - tanget - deux oreilles - une oreille - un avis avec silence - un avis avec ovation - une oreille après un avis - deux oreilles - deux oreilles - un avis avec ovation - une oreille - deux oreilles - tangebar - deux oreilles et queue - ovation - ovation - une oreille - sifflets - deux oreilles - ovation - ovation - une oreille - ovation - ovation - deux oreilles - ovation - ovation - une oreille -  tangebat - une oreille - une oreille - ovation - une oreille - silence - deux oreilles - silence - silence - une oreille - silence - une oreille - une oreille - une oreille - deux oreilles et queue - tangit - une oreille - une oreille - silence - un avis avec ovation - une oreille - ovation - ovation - une oreille - ovation - sifflets - une oreille - silence - une oreille - une oreille - ovation - tetigerit - deux oreilles - une oreille - deux oreilles - deux oreilles et queue - une oreille - une oreille - une oreille - silence - silence - une oreille - silence - ovation - une oreille - un avis avec ovation - ovation - une oreille après un avis - une oreille - deux oreilles - une oreille - deux oreilles - deux oreilles - une oreille - une oreille - une oreille - deux oreilles - tetigerat - ovation - silence - deux oreilles et queue - ovation - deux oreilles et queue - un avis avec ovation - ovation - une oreille - silence - deux oreilles - un avis avec ovation - une oreille - tacta sum - deux oreilles - une oreille - une oreille - une oreille - une oreille - ovation - un avis avec silence - deux oreilles après un avis - deux oreilles après un avis - une oreille après un avis - une oreille - une oreille - une oreille - neuf queues - s'il lance



hoofdstuk 7 - 11
11.11

woensdag 9 november 2011

XLVII - fumée de fumées




hoofdstuk
borststuk
achterlijf
7
9
11,§ 11, de heerlijkheid van J.

zondag 6 november 2011

XLVI - jacobsladder

inter se reprehensiones non sunt vituperandae, maledicta, contumeliae, tum iracundiae, contentiones concertationesque in disputando pertinaces indignae philosophia mihi videri solent. [28] Tum Torquatus: Prorsus, inquit, assentior; neque enim disputari sine reprehensione nec cum iracundia aut pertinacia recte disputari potest. sed ad haec, nisi molestum est, habeo quae velim. An me, inquam, nisi te audire vellem,

Het is niet dat de vleugels die ik vertouw falen, wat men ook wil doen geloven - oh mistig woord. Ze falen niet maar worden moe van tijd tot tijd, terwijl het hart hart blijft en indringend de geur van verbrande freins (het koor in re-). Niet zo indertoen, de losse teugel, de overtuiging, gehalsterd, gevierd, dicht en tot slot vakkundig opengewrikt. Millimetergolven doorheen fijnstoffelijkheid en zo een berijken. Verstrooid licht, schitterend door lamellen van herinnering als zonnen die door woorden breken, door een vraag, een gebod, een j'ouis, ook al weet je dat je... ik dat ik... Ik hef het glas en zie er de wijngaarden in, die zuidelijker geur en gloed van bergen voorafgaan. Het druipen van honingmeloen op een strakker koord, messcherp goud op snee dat vinger na vinger zich mengt met bloed van de intieme lezer, en een palet met warm tot woeste kleuren. Slaapt het serpent in de holte van mijn mond? Of krult het straks weer als een vraag in een bodemloze cultuur? Omgekeerd zal ik dan kijken, ellipsisch, en plantvoeten in weerstandsmemorie maar ook: het lachend vallen zoeken - als een gek doorheen het dek van alle symboliek - dat mogen stuiteren in een andersheid en dan niet meer weten. Slechts het gewijs in de sporen die je liet. Schilder je nog en met welk gerief.
Misschien hef ik een glas vannacht alvorens een cocon te zoeken in verlangst, de dubbelkoppige, het domein van ochtend, nacht en ongehoorde wee, als aangejaagd gedachten nagels slaan in herinneringshuid. Denken is een regenbui die niet stopt. Licht smelt aan de horizon en houten ogen ontluiken in het morgengezicht



hoofdstuk 7, §10, § 11, p.1 e.v.
hoofdstuk 11, §11, p.4-6
o.a.

vrijdag 4 november 2011

XLV - roet & vuur

summum bonum diceret, primum in eo ipso parum vidit, deinde hoc quoque alienum; nam ante Aristippus, et ille melius. addidisti ad extremum etiam indoctum fuisse. [27] Fieri, inquam, Triari, nullo pacto potest, ut non dicas, quid non probes eius, a quo dissentias. quid enim me prohiberet Epicureum esse, si probarem, quae ille diceret? cum praesertim illa perdiscere ludus esset. Quam ob rem dissentientium

M
e
t
e
n
Meten gaat niet - wegens verschillen en dus zeggen we dat alles even is. Mij lijkt een om het even, kijkt het om de hoek of - zelfs - staart het onverschillig. Ik dacht dat er een weten was. Naar beneden kijken met mijn hand. En de waaiers met vingertoppen over de afgrond. Ik wil je naasten, dacht ik.

Zij schrijven en praten de wereld leeg maar het zeggen doe jij. Terwijl ik wacht.
De wereld trekt door.

Waar ik mijn voeten hef - ik heb geen naam - trekt het leven een grafiek in mijn eelt. Die wordt driedimensioneel. Een naam krijg ik niet. De dieren die passeren heffen sloom de poot in een het hoeft niet meer. Er stuift zout in mijn ogen.

Je lacht en vrijt en vloekt. En sterft.
Hoe doe je het, vraag ik je: snijden. Amputeren.
Je bekleedt het niet. Het heeft geen naam.
Het is ver
s
t
o
t
e
n.



hoofdstuk 11, §11, p.3

dinsdag 1 november 2011

all eyes

amfibool³

As soon as we enter the symbolic order, the past is always present in the form of historical tradition and the meaning of these traces is not given; it changes continually with the transformations of the signifier's network. Every historical rupture, every advent of a new master-signifier, changes retroactively the meaning of all tradition, restructures the narration of the past, makes it readable in another, new way.

Thus, 'things which mean nothing all of a sudden signify something, but in a quite different domain'. What is a 'journey into the future' if not this 'overtaking' by means of which we suppose in advance the presence in the Other of a certain knowledge - knowledge about the meaning of our symptoms - what is it, then, if not the transference itself? This knowledge is an illusion, it does not really exist in the other, the other does not really possess it, it is constituted afterwards, through our - the subject's - signifier's working; but it is at the same time a necessary illusion, because we can paradoxically elaborate this knowledge only by means of the illusion that the other already possesses it and that we are only discovering it.

S. Žižek - The Sublime Object of Ideology, p.58



Het is ochtend en ik houd me vast aan een kop koffie. De nacht was te kort. Alles lijkt bizar: waarom ik hièr zit, hoe ik hier kom en hoe ik me afvraag: heb ik een kater!

Mijn ogen dwalen in de registers van mijn geheugen.
Ik hang vast aan ogen van schitterend amfibool, gevlamde eb en mahonie, vingers die in een baard plukken, handen en armen die onverwacht explosief gesticuleren en woorden, uitdrukkingen, tussengooisels als ‘pfff’ en ‘oech’ en lach en gedachten kleurrijk boven de tafel schilderen, om daarna even plots stil te vallen in een schoot van magere benen die zelfs om elkaar geslagen nog toelaten dat beide voeten de grond raken. Ik wil mijn handen op die knieën leggen.
Ik houd me vast aan een kop koffie. Zwart legt hij een isolatielaag tegen mijn binnenkant terwijl ik mij uiterlijk als vanouds niet laat kennen. Tenminste, dat denk ik. Ik stort een bodem in mijn maag, een shot cafeïne, om me niet te verliezen in gedachten van 'utterly confused'.
En zijn die haast vogelachtige handen, als kieviten op een veld, met onnavolgbare vlucht - dat duiken, zwenken, stijgen, rusten….
Ik had gezegd: “Ik wil ze zien en voelen”. Dat mocht en deed ik dus.
Ik palpeerde ze beiden (zou mijn ogen willen sluiten) en voelde ze als braille. De nagels, het bot, de huid, het vlees van de muizen. Ik navigeerde als vanouds tussen metacarpalen, vond snuifdoos en webbing. Zocht de ijkpunten, maakte een mentaal plan en hing alles vast in mijn eigen vingerprent.
Dat was ik, prentenverzamelaar. Van onzichtbare platen. Het handencabinet…
Met kijken en voelen van handen als puur genot.

Mijn ogen zijn daar gebleven, op dat gezicht. En als met een laserpen snijd ik lijn na plooi, de baard, de lange nek daaronder, kwetsbaar als Nzou’s plek.
Elke dag sedertdien.


1 nov. 2007 - 1 nov. 2011